In 1973 was The Rolling Stones al lang geen typische rockband meer, maar uitgegroeid tot culturele iconen wier grotere-dan-leven-reputatie hun muzikale output vaak overschaduwde. Gebouwd op een fundament van controverse, overdaad en een reeks tijdperk-bepalende hits, had de band al landmark-albums uitgebracht zoals Exile on Main St., Let It Bleed, Beggars Banquet en Sticky Fingers die hun plaats in de rockgeschiedenis verzekerden.
De groep had een indrukwekkende collectie signature songs die rockmuziek nog steeds definiëren. Nummers als Gimme Shelter, (I Can’t Get No) Satisfaction en Jumpin' Jack Flash staan vaak bovenaan lijsten van hun beste werk. Deze prominente positie verklaart mede waarom een opvallende opname uit hun catalogus weinig aandacht meer krijgt.
Op 31 augustus 1973 bracht The Rolling Stones hun album Goats Head Soup uit. Daartussenin zat Winter, een nummer dat de essentie van de bandkracht vastlegt maar tegenwoordig weinig erkenning krijgt. Het stuk combineert de melodische vakmanschap en het kenmerkende geluid dat de groep legendarisch maakte, terwijl het zich waagt aan introspectiever terrein.
Winter toont een ander facet van Mick Jagger dan het rebelse persona dat fans gewend waren. De arrangement draait om zachte akoestische gitaar en laat een van zijn meest ingetogen vocal performances horen. Jagger brengt een gevoel van eenzaamheid en stille reflectie over terwijl hij thema's als afstand, verlangen en emotionele scheiding verkent.
Het resultaat voelt meer als een cinematische ballad dan een standaard The Rolling Stones-rocker. Het toont dat de band verder kon gaan dan hun gevestigde imago en kon raken via oprechte kwetsbaarheid.