Atlético de Madrid staat voor een andere zomer dan gewoonlijk. Voor het eerst sinds de komst van het Amerikaanse fonds Apollo beschikt de club over een nieuwe eigendomsstructuur die de deur opent voor versterkingen van hoger niveau. Supporters vragen zich af hoeveel geld de nieuwe eigenaren bereid zijn te investeren om de kwaliteit van het team te verhogen.
Apollo loopt tegen de strenge economische regels van LaLiga aan. De Spaanse competitie bepaalt dat elke kapitaalstorting maximaal 25 procent van de omzet van de club mag bedragen en altijd over twee seizoenen moet worden verdeeld. Daarnaast deelt LaLiga de clubs in verschillende groepen in op basis van hun financiële situatie. Atlético behoort tot groep B, waardoor het 90 procent van het door de eigenaren ingebrachte bedrag mag gebruiken voor marktoperaties, mits het plafond van 25 procent van de totale inkomsten niet wordt overschreden.
Stel dat Apollo besluit 120 miljoen euro te investeren om de selectie te versterken. Negentig procent daarvan komt neer op 108 miljoen. Als dit bedrag binnen de limiet van 25 procent van de omzet blijft, kan de club dit besteden aan de sportieve selectiekosten, verdeeld over twee zomers: 54 miljoen per seizoen. Dat bedrag komt niet rechtstreeks overeen met de transfersom, omdat het zowel de afschrijving als het salaris van de speler omvat.
Ter illustratie: een transfer van 40 miljoen euro over vier jaar met een jaarsalaris van zeven miljoen genereert een seizoenskost van 17 miljoen aan afschrijving en salaris. Na deze transactie houdt de club nog 37 miljoen over van de kapitaalverhoging om de selectie verder te verbeteren.
Apollo kan en zal dus geld inbrengen om het niveau van Atlético te verhogen. De regels van LaLiga sluiten echter onbeperkte uitgaven uit en dwingen tot een zorgvuldige marktplanning. De club beschikt deze zomer over extra middelen, maar altijd binnen de marges van het economische toezicht.