Het is opvallend dat op dezelfde dag waarop de Champions League begint met vijf Spaanse teams en slechts één nationale trainer aan het roer, bekend wordt dat vier van de vijf kandidaten voor de prijs van beste coach van het jaar Spaans zijn. Luis de la Fuente, Luis Enrique, Mikel Arteta en Unai Emery staan bovenaan de lijst, met Vincent Kompany als uitzondering.
De gemeenschappelijke noemer van deze trainers is dat ze momenteel niet in LaLiga werken, een competitie die nog steeds een meerderheid aan nationale coaches kent (12 van de 20). De grootste clubs lijken die optie echter om uiteenlopende redenen te vermijden.
Bij Real Madrid volgden de recente gevallen van Xabi Alonso en Arbeloa een vergelijkbaar verloop. Bij FC Barcelona zorgden zelfs behaalde titels er niet voor dat Xavi Hernández mocht blijven. Bij Atlético de Madrid moet je decennia terug om een Spanjaard als Goyo Manzano te vinden.
Het goede moment van het vak blijkt uit namen als Pep Guardiola, die geniet van een sabbatical, Iraola bij Liverpool, Cesc Fàbregas die grootse dingen doet bij Como, Mendilibar in Athene, Míchel in Amsterdam, Carcedo in Moskou en Santi Denia, die na olympisch goud naar Tsjechië vertrok.
Ieder hanteert zijn eigen methode. De jarenlange opgebouwde ervaring heeft ervoor gezorgd dat de Spaanse coach vandaag de meest gewaardeerde is in het wereldvoetbal. Binnenkort zou die realiteit zelfs kunnen worden omarmd waar dat het hardst nodig is.