Een kreet van ongeloof ging door Spanje toen Luis de la Fuente besloot Dani Olmo uit de basisopstelling te halen. De aanvallende middenvelder van Barcelona was een van de uitblinkers samen met Rodri, maar de bondscoach vertrouwde op zijn instinct voor een wedstrijd die lastiger werd.
De wissel wierp meteen vruchten af. Mikel Merino kwam van de bank en gaf met chirurgische precisie de assist op Ferran Torres voor de treffer die Spanje naar de kwartfinales van het WK loodste.
Rodri toonde een van zijn beste versies. De middenvelder van Manchester City ruimde overal op het veld en verdeelde het spel met de kalmte van een schaker. Hij compenseerde bovendien de tekortkomingen van Pedri, die nooit zijn plek vond tijdens de hele wedstrijd.
Het individuele duel met Vitinha won hij met gezag. Toen de wedstrijd het uiterste vroeg, gaf de Ballon d’Or opnieuw antwoord.
Aan de andere kant beleefde Pedri een avond om te vergeten. Hij verloor vaak balbezit en had nauwelijks invloed op het spel. De la Fuente hield 75 minuten vertrouwen in hem, maar de Canariër maakte dat niet waar.
Een onverwachte tegenvaller trof Portugal. Nuno Mendes, hun meest betrouwbare linksback, moest met een hamstringblessure het veld verlaten na een inspanning tegen Lamine Yamal. De Portugees was tot dan toe de beste van zijn team.
In het hart van de verdediging leverden Aymeric Laporte en Pau Cubarsí weer een foutloze prestatie. Spanje heeft nu vijf WK-wedstrijden zonder tegendoelpunten en het centrale duo straalt een benijdenswaardige zekerheid uit.
Het enige minpunt zat in de standaardsituaties. Alle zeven corners van Spanje waren identiek en werden moeiteloos geneutraliseerd door de Portugese verdediging. Er ontbrak fantasie om het draaiboek te doorbreken en Portugal op een cruciaal moment te verrassen.