Alpe d’Huez blijft een van de meest iconische locaties in het wielrennen. De 21 bochten, de eindeloze rijen fans en de lange lijst kampioenen die hier triomfeerden maken van een etappezege hier een plek in de geschiedenis.
Meer dan zeven decennia na de eerste passage in de Tour de France houdt de Alpenberg nog een verrassing in petto. De organisatie presenteert dit jaar een uniek concept: twee opeenvolgende finishes op Alpe d’Huez via totaal verschillende routes.
De eerste dag volgt het vertrouwde patroon. Het peloton vertrekt uit Gap en klimt via de traditionele weg die het skistation beroemd maakte, met genummerde bochten en een sfeer die de berg vaak in een openluchtstadion verandert.
De dag erna keert de koers terug naar Bourg d’Oisans, maar nu via een andere weg. De renners nemen de helling van de Col de Sarenne, een smalle, onregelmatige en veel zwaardere weg die tot voor kort als bijna ongeschikt voor de Tour werd beschouwd.
De dubbele passage over Alpe d’Huez is niet alleen een eerbetoon aan een icoon van de koers. Het weerspiegelt ook de wens van de organisatie om nieuwe mogelijkheden te verkennen binnen bekende decorstukken.
De beslissende dag wordt veel meer dan een extra klim. Voordat de renners Sarenne bereiken, moeten ze een reeks cols trotseren die de krachten volledig uitputten. Tourdirecteur Christian Prudhomme zegt er ronduit over: “Dit is de zwaarste bergetappe van deze Tour, met 3.450 meter hoogteverschil”.
Het idee is niet langer om via de Col de Sarenne te dalen, maar om juist via deze helling te klimmen die tot voor kort door velen als onbegaanbaar werd gezien.
De Col de Sarenne verscheen al in de Tour van 2013, toen als afdaling na de klassieke beklimming. Die historische etappe werd gewonnen door Christophe Riblon en toonde aan dat de weg kon dienen in een zwaar parcours.
Nu zet de organisatie een stap verder: in plaats van als afdaling wordt de weg nu de laatste toegang tot Alpe d’Huez. De richting verandert en daarmee ook de rol in de koers.
De helling via Sarenne vormt een ander soort uitdaging dan de traditionele klim. De renners kennen bijna elke meter van de 21 bochten, maar op Sarenne vinden ze minder herkenningspunten. Het wegdek, de breedte en de hellingswisselingen vragen om een andere raceaanpak.
Een discotheek om twee uur ’s nachts.
Alpe d’Huez roept ook herinneringen op. Fausto Coppi was de eerste winnaar in 1952, daarna volgden namen als Joop Zoetemelk, Marco Pantani, Carlos Sastre en Thibaut Pinot. Pantani, een van de renners die het sterkst met deze berg verbonden is, beschreef de ruigheid van die wegen: “De weg was oud, kapot en smal. Toch moest ik hem nemen. Ik hield van de berg”.
De combinatie van de twee etappes kan doorslaggevend zijn voor de klassementsrenners. Wie verzwakt uit de eerste aankomst komt, moet beslissen of hij op de tweede dag al vroeg risico neemt. Wie zijn positie weet te verdedigen, moet een moeilijk te controleren etappe in de hand houden.
Gedurende achtenveertig uur zal Alpe d’Huez het absolute middelpunt van de Tour zijn. De eerste beklimming dient om de legende opnieuw te beleven. De tweede om een nieuw hoofdstuk aan de geschiedenis van de koers toe te voegen.