Spanje maakt nu deel uit van de groep van de vier beste landen ter wereld. Een prestatie die past bij het huidige dominante spel en die in de hele geschiedenis slechts twee keer eerder is behaald.
De eerste keer was in 1950, toen Spanje vierde werd op het WK in Brazilië. De tweede keer was precies zestien jaar geleden, toen de goal van Andrés Iniesta de wereldtitel voor La Roja bezegelde.
De toegang tot de halve finales van het WK kwam tot stand op dezelfde manier als de plaats in de kwartfinales: een late treffer toen de klok al onverbiddelijk aftikte in de extra tijd.
De hoofdrol was opnieuw voor Mikel Merino, de specialist in mirakels. Tegen Portugal kwam de goal na een fraaie afwerking voor de uitkomende doelman Diogo Costa, tegen de Belgen was het de pure afmaker in de zestien die opdook.
Een schot van Pau Cubarsí werd onvoldoende gekeerd door de Belgische doelman Lammens. Daar dook de nummer 6 van Spanje op om alles opzij te werken en de bal in het doel te deponeren.
De op een na grootste scorer uit het tijdperk van Luis de la Fuente staat nu op twaalf treffers voor Spanje. Allemaal gescoord onder zijn leiding als bondscoach. De goal in Los Angeles, in de 118e minuut, komt na die in Stuttgart waarmee La Roja zich plaatste voor de halve finales van het vorige EK.
Op de lijst van beslissende goals staan ook de treffer tegen Portugal in Dallas en die in Rotterdam in de kwartfinales van de Nations League, toen de klok bijna op negentig stond.
Dankzij deze goal komt Spanje op 36 opeenvolgende wedstrijden zonder verlies, zowel in officiële duels als in oefenwedstrijden. Alleen officiële wedstrijden meegerekend loopt de reeks op tot 37.