Na het sluiten van de zomerse transfermarkt heeft LaLiga de nieuwe Limieten voor de Sportieve Ploegkosten bekendgemaakt. Deze limieten bepalen hoeveel elke club mag investeren in zijn selectie op basis van inkomsten, uitgaven en openstaande schulden.
De Real Madrid staat bovenaan en bereikt 832 miljoen euro, een stijging ten opzichte van de 761 miljoen van de twee voorgaande markten. Dit bedrag vormt een historisch maximum voor de club.
De FC Barcelona, die al onder de 1/1-regel opereert, verbetert zijn positie aanzienlijk en gaat van 432 miljoen in de wintermarkt naar 582 miljoen in deze update. Desondanks blijft de club achter op Real Madrid.
De Atlético de Madrid zet zijn limiet op 361 miljoen, tegenover 336 miljoen in de vorige wintermarkt. De club trekt weg van Barcelona na diens herstel.
De Sevilla FC behoudt de laagste limiet in de categorie, vastgesteld op slechts 20 miljoen euro. Daarop volgen de Málaga met 33 miljoen en de Alavés met 43 miljoen.
De Deportivo de La Coruña, net gepromoveerd, beschikt over 64 miljoen, een hoger bedrag dan clubs als Osasuna, Espanyol, Elche, Rayo Vallecano of Getafe.
In de tweede divisie springen de Girona en de Mallorca eruit met respectievelijk 35 en 34 miljoen. De Almería heeft de laagste limiet met slechts 3,9 miljoen, gevolgd door de Granada (4 miljoen) en de Cádiz (4,6 miljoen).
De LCPD stelt het toegestane uitgavenplafond vast voor spelers, de technische staf van het eerste elftal en ook voor de reserves en de jeugdopleiding. Hieronder vallen vaste en variabele salarissen, sociale premies, collectieve bonussen, aankoopkosten en afschrijvingen.
Om het te bepalen worden de verwachte inkomsten (kaartverkoop, abonnementen, sponsordeals, tv-rechten en transfers) verminderd met de niet-sportieve uitgaven, de aflossing van schulden en de opgebouwde verliezen uit voorgaande seizoenen. Het eindresultaat vormt het budgettaire plafond van elke club.