Bijna drie decennia geleden lag een tropisch bosgebied in het noordwesten van Costa Rica er gedegradeerd bij na tientallen jaren intensieve veeteelt. De ecologen Daniel Janzen en Winnie Hallwachs startten toen een ambitieus herstelproject in het Área de Conservación Guanacaste dat het landschap op onverwachte wijze zou transformeren.
Tussen 1997 en 1998 sloten de twee wetenschappers een overeenkomst met het bedrijf Del Oro, dat duizenden tonnen sinaasappelresten produceerde. In ruil voor het afstaan van grond aan het nationale park stortte het bedrijf zijn afval op het beschermde gebied. Ongeveer duizend vrachtwagens brachten 12.000 ton schillen en pulp die over drie volledig kale hectaren werden verspreid.
Binnen enkele maanden verteerden de resten en verrijkten de bodem. Een klacht van de concurrent TicoFruit legde het project echter enkele jaren stil en zorgde voor onzekerheid over de toekomst.
Zestien jaar later keerden de onderzoekers terug en troffen een radicale verandering aan. Waar vroeger alleen droge, kale grond lag, verhief zich nu een dicht en levendig tropisch bos. De bodem herwon vruchtbaarheid en de vegetatiebrede nam sterk toe.
Een analyse uit 2017 toonde aan dat de bosbiomassa met meer dan 176 procent was toegenomen. Het terrein bevatte meer voedingsstoffen, legde meer koolstof vast en herbergde talrijke inheemse soorten die er eerder niet voorkwamen. Het project, destijds omstreden, groeide uit tot een internationaal voorbeeld van ecologische restauratie.
Wat een onconventionele oplossing leek, bewees dat organisch afval een krachtig instrument kan zijn om gedegradeerde ecosystemen te herstellen en biodiversiteit terug te brengen in landschappen die verloren leken.