De kenmerkende windmolenslag definieerde de podiumpresentatie van Pete Townshend bij The Who en gaf rauwe kracht aan elk akkoord. Diezelfde felle energie voedde de opkomst van bands als Led Zeppelin en de punkbeweging.
Regisseurs Frank Marshall en Nigel Sinclair verplaatsen de spotlight in hun nieuwe film "Pete Townshend: Behind Blue Eyes" naar de introspectieve en artistieke diepgang van de muzikant. De documentaire, die in première ging op het Telluride Film Festival, maakt gebruik van eerder ongeziene 16mm-beelden uit 1972 in Holmhurst Manor, samen met home movies en outtakes van het Isle of Wight.
Pete Townshend, nu 81, verschijnt in een uitgebreid interview met een rode wollen muts op. Hij komt over als bedachtzaam en mild terwijl hij terugblikt op de hoogtepunten van de band en eerdere conflicten met Roger Daltrey. De film volgt zijn roots op de kunstacademie en zijn vroege verlangen om rock te verheffen tot een serieuze kunstvorm.
Het verhaal opent met de creatieve crisis na het enorme succes van "Tommy". Townshend verwerkte zijn vroege kindertijd, met verlating en tijd bij zijn grootmoeder, in de baanbrekende rockopera. De band draaide op dat moment grotendeels om zijn visie, al kwamen spanningen aan de oppervlakte toen leden andere wegen zochten.
Zeldzame beelden tonen de groep op het landgoed in East Sussex terwijl ze worstelen met een opvolger voor "Tommy". Het ambitieuze maar onafgemaakte sciencefictionconcept "Lifehouse" nam Townshend volledig in beslag en liet de anderen onzeker achter over hun richting. De documentaire belicht zijn prikkelbare leiderschap in deze onzekere periode.
De film slaat belangrijke mijlpalen over zoals "My Generation" en details over de worstelingen van Keith Moon. Ook ontbreken Townshends persoonlijke relaties en het volledige verhaal achter zijn solowerk zoals "Rough Boys". Hoewel de film de levendigheid van de muziek en de complexiteit van de kunstenaar vastlegt, merken recensenten op dat het tekortschiet in het volledig onthullen van de man achter het publieke imago.