De recente aardbevingen die Colombia en Venezuela troffen, overschreden beide magnitude 7 en veroorzaakten grote onrust in de regio. De twee gebeurtenissen vertoonden echter volledig verschillende geologische gedragingen, dieptes en reacties van de structuren.
Een van de meest opvallende contrasten ligt in de aard van de bevingen. Terwijl de ene zich voordeed als een geïsoleerd fenomeen, correspondeerde de andere met wat specialisten een "seismisch doublet" noemen, met energieafgiftekenmerken die substantieel verschillen.
De diepte waarop de seismische energie vrijkomt, beïnvloedt op beslissende wijze hoe de beweging zich voortplant en de intensiteit van de daaropvolgende naschokken. Deze variatie in het hypocentrum verklaart grotendeels waarom de waargenomen effecten en de reeks secundaire bevingen niet gelijkwaardig waren in beide landen.
De twee aardbevingen reageerden op verschillende tektonische mechanismen. Dit onderscheid in de geologische oorsprong droeg ertoe bij dat de seismische golven zich in elk geval uniek gedroegen, waardoor de manier waarop de grond trilde en hoe de energie naar het oppervlak werd overgedragen, veranderde.
Geologen en ingenieurs zijn het erover eens dat de waargenomen schade niet voornamelijk afhangt van de magnitude van de beving, maar van de kwetsbaarheid van de gebouwen. De normen voor aardbevingsbestendige bouw en de staat van de structuren zijn doorslaggevend bij het evalueren van de werkelijke impact van een seismische gebeurtenis.