Zo hielpen Friezen zo'n 100 Amsterdamse voetballertjes de Hongerwinter door

maandag, 9 maart 2026 (19:17) - Het Parool

In dit artikel:

Journalist Jaap Visser (66) reconstrueert in zijn boek Bontebok hoe Friese solidariteit tijdens de Hongerwinter (1944–1945) levens redde en kleine verzetsdaden mogelijk maakte. Visser verweeft vier verhaallijnen: de rol van vv Heerenveen bij het opvangen van Amsterdamse jeugdvoetballertjes, het lintdorp Bontebok als schuilplaats voor Joodse onderduikers, de Lemmerboot als levensader tussen West- en Noord-Nederland, en zijn eigen familiegeschiedenis met verzetsbanden in de Friese Zuidwesthoek.

Eind 1944 voorzag het bestuur van vv Heerenveen, mede door de status van clubicoon Abe Lenstra, dat de hongersnood in het westen zou escaleren. De club organiseerde een humanitaire actie: per grote Amsterdamse club (Blauw-Wit, De Volewijckers, DWS, Ajax) werden 20–25 jongens van 12–14 jaar in gastgezinnen in en rond Heerenveen ondergebracht. Rond januari 1945 gingen zo’n honderd jonge voetballers naar Friesland, deels over de weg, deels met de Jan Nieveen—de Lemmerboot—die tussen Amsterdam en Lemmer voer en zowel voedsel als onderduikers vervoerde. De jongens kregen daar vaak betere voeding, konden versterkt terugkeren en maakten herinneringen aan een zorgeloze periode temidden van oorlogsomstandigheden.

Tegelijk zette het dorp Bontebok zich in om Joodse onderduikers te huisvesten; op een gegeven moment waren er meer ondergedoken Joden dan huishoudens in het lintdorp. De Schoterlandse Compagnonsvaart kreeg de bijnaam ‘de Jordaan’ vanwege die stroom van mensen. Om veiligheidsredenen hadden de opgevangen voetballertjes geen contact met de Joodse onderduikers; de dorpelingen hielden zorgvuldig zwijgen en daarmee bleven mensen onaangeraakt door verraad.

Visser legt de successen van deze initiatieven uit aan de hand van het Friese begrip ‘mienskip’: gemeenschapszin, zorg voor elkaar en solidariteit. Hij plaatst dat idee nadrukkelijk tegenover hedendaagse zorgen over afnemend medeleven en terughouding in hulp aan vluchtelingen, en merkt op dat sommige huidige bewoners politieke keuzes ervaren als een vorm van verraad aan die traditie.

Persoonlijk verhaal vormt de rode draad: Visser, geboren in Amsterdam in 1931, speelde als jongen bij De Volewijckers en werd tijdens de Hongerwinter zelf naar een gastgezin in Heerenveen gestuurd. Hij beschrijft hoe hij daar werd opgenomen, beter at, Fries leerde en meedeed aan lokale spelletjes en sporten. De herinnering aan 15 april 1945, de ochtend van de bevrijding in Heerenveen, staat centraal in zijn memoires. Na de oorlog keerde hij terug naar Amsterdam, studeerde en werkte lange tijd als geschiedenisleraar voordat hij het onderzoek dat begon als een Parool‑artikel uitwerkte tot dit boek. Tijdens zijn onderzoek ontdekte hij ook dat leden van het Heerenveense bestuur contacten met het verzet hadden en dat familiearchieven veel nieuwe feiten prijsgaven, onder meer over zijn oom Feite Klijnstra als verzetsman.

Bontebok – onderduik en verzet in het land van Abe Lenstra verschijnt bij Uitgeverij Spectrum; Visser presenteert met dit boek een lokaal maar indringend portret van hulp, moed en klein verzet in oorlogstijd, en een pleidooi voor de blijvende waarde van gemeenschapszin.