Zinnen die in hun eentje al een roman zijn
In dit artikel:
De roman *Mijn zuster Antigone* van de Duits-Nederlandse schrijfster Grete Weil (1906-1999) verschijnt in de besproken context als een indringende getuigenis van de nazi-bezetting en de persoonlijke schuld van overlevenden. Weil, die in Nederland bekend werd met *Tramhalte Beethovenstraat*, schreef het boek oorspronkelijk als *Meine Schwester Antigone*, haar doorbraak in Duitsland. De Nederlandse vertaling is van Margot Klaarhamer.
De vertelster is een ouder wordende schrijfster die zich afvraagt waarom ze nog een boek zou moeten schrijven. Ze kijkt kritisch terug op haar eerdere werk en op het idee dat iedere overlevende automatisch een getuige moet zijn. Toch vormt juist deze roman een indrukwekkend getuigenis. Ze beschrijft onder meer haar gesprekken met nazi-autoriteiten nadat haar joodse man Waiki was weggevoerd. Hij wordt later in Mauthausen vermoord.
In het boek werkt de vertelster bij de Joodse Raad. Ze probeert daarmee deportatie van zichzelf en mogelijk haar moeder te voorkomen, maar fotografeert ondertussen mensen die op transport worden gesteld. Die ervaringen roepen blijvende schaamte en zelfverwijt op: volgens de vertelster heeft ze te weinig verzet geboden. De verwijzing naar Sophocles’ Antigone benadrukt dat dilemma. Antigone trotseert het bevel van Kreon en begraaft haar broer, terwijl Weil haar hoofdpersoon confronteert met de vraag waarom zij niet even duidelijk in verzet kwam. De kracht van het boek ligt volgens de bespreking in Weils scherpe, beeldende zinnen en haar compromisloze blik op overleven, schuld en verantwoordelijkheid.
De Oranjezomer: Wanneer maakt Bas Nijhuis zijn rentree als scheidsrechter?