Zeven 'extra' hittegolven door gelijktrekken historische gegevens
In dit artikel:
Het KNMI heeft zijn historische telling van hittegolven in Nederland bijgesteld: sinds 1901 zijn er niet 46 of 32 maar 39 hittegolven geweest. De herberekening volgt op een nieuwe toetsing van de zogenoemde homogenisering van temperatuurreeksen — correcties die nodig zijn omdat meetstations in de loop der tijd van plaats en instrumentatie veranderen.
Een knelpunt uit het verleden is 1947. Tot 2016 rekende het KNMI vier losse hittegolven voor dat jaar (volgens de Nederlandse definitie: periodes van minstens vijf dagen boven 25°C, waarvan ten minste drie dagen boven 30°C). De homogenisering van 2016 reduceerde die vier naar één, waarop klimaatsceptici, onder meer Clintel, beschuldigingen uitten dat het KNMI oude ‘tropische dagen’ zou hebben verwijderd. Het KNMI verweert zich dat gegevens nooit zijn “weggelaten” en dat kleine temperatuurverschillen (soms enkele tienden van een graad) beslissend kunnen zijn voor classificatie als hittegolf.
Op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten en na review van externe critici is het KNMI de homogenisaties opnieuw gaan herzien. Die heranalyse leidde ertoe dat sommige periodes, waaronder 1947, weer als meerdere hittegolven worden aangemerkt. Een van de deskundigen die eerder kritisch was, Frans Dijkstra, zegt nu tevreden te zijn met de aangepaste methode. Het KNMI benadrukt dat het wetenschappelijke proces gebaat is bij open discussie en peer review.
De wijzigingen veranderen niets aan de lange-termijnbeelden van klimaatverandering die het KNMI toont: de bekende ‘streepjescode’ (jaarkleuren op basis van temperatuurgemiddelden) bleef ongewijzigd. Belangrijker nog, de hoofdconclusies blijven overeind: Nederland is sinds het begin van de twintigste eeuw ruim 2°C warmer geworden, er zijn minder koude dagen en meer extreem warme zomerdagen, en ongeveer 40% van alle hittegolven sinds 1901 viel na het jaar 2000.
Kort samengevat: de nieuwe telling komt uit op 39 hittegolven sinds 1901; die aanpassing is het gevolg van verfijningen in homogeniseringsmethoden na wetenschappelijke discussie, maar verandert niets aan het beeld van structurele opwarming in Nederland.