Zet alle woorden over een herwaardering van het mbo in 2026 om in daden
In dit artikel:
Mbo’ers leveren onmisbaar werk in sectoren als zorg, techniek, transport en logistiek, voedselvoorziening, kinderopvang en onderwijs, maar voelen vaak dat hun diploma minder waard is dan een hbo- of wo‑opleiding. Die kloof begint vroeg: basisschooltoetsen en de selectie naar havo/vwo versus vmbo bepalen al in groep 8 veel van iemands vervolgroute — de doorstroomtoets wordt vanaf deze maand weer afgenomen en illustreert die vroege druk.
Er zijn beleidsmatige pogingen om het imago van het mbo te verbeteren. Mbo-studenten heten wettelijk sinds enkele jaren ‘studenten’, en oud-minister Robbert Dijkgraaf pleitte voor een onderwijsstelsel dat als een waaier van gelijkwaardige routes wordt gezien in plaats van een hiërarchische ladder. Praktijkgericht onderzoek krijgt eveneens aandacht: bijna 160 practoraten brengen docenten, studenten en bedrijven samen onder leiding van een practor om thema’s als technologie, duurzaamheid en zorg te onderzoeken — een teken dat het mbo ook innoveert.
Ook in het studentenleven ontstaan kleine verschuivingen: introductieweken zijn vaker open voor mbo’ers, mbo-studenten werden voor het eerst bij het Studentendebat betrokken en het ministerie biedt vanaf februari tien traineeplaatsen voor gediplomeerde mbo’ers — stappen die meer erkenning geven.
Toch blijven barrières groot. Studentenhuizen en veel studentenverenigingen sluiten hun deuren meestal voor mbo’ers. Stagebemiddeling is problematisch: één op de tien mbo’ers meldt discriminatie bij de zoektocht naar een stageplek en stagevergoedingen zijn vaak afwezig. Minister Gouke Moes trok eerder een toezegging hierover weer in; de Tweede Kamer heeft echter een motie aangenomen die het kabinet aanspoort actie te ondernemen.
Het artikel roept op om van woorden daden te maken — vooral in 2026: praktische kennis serieus waarderen, eerlijke stagevergoedingen garanderen en mbo’ers volwaardig laten deelnemen aan het studentenleven.