Ze stonden veilig maar afstandelijk in een glazen kooi: Adam, Eva, de engelen, het lam | column Maaike Borst
In dit artikel:
Tijdens een weekend in Gent ontmoet de columnist twee lokale persoonlijkheden: een oudere dichter in een verweerde lamswollen jas en een beeldend kunstenaar in een theatercafé. De dichter, rokend op herinneringen en genietend van een Vlaamse tripel, reciteert eigen werk, praat over zijn nachtelijk verleden met een ooit beheerd nachtcafé, zijn liefde voor voetbalclub Anderlecht en ontmoetingen met onder meer Jules Deelder en Jan Mulder. Zijn zoon is recent met een klein tentje op de fiets naar de Noordkaap vertrokken. Na zijn voordracht zegt de dichter: „Uit de tijd dat ik nog goed was.”
De volgende dag bezoekt de schrijver het middeleeuwse altaarstuk Het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck in de Sint‑Baafskathedraal. Hoewel indrukwekkend opgesteld in een glazen kooi, roept het kunstwerk bij de verteller weinig emotie op. Een kunstenaar die ’s avonds in hetzelfde café aanschuift merkt op dat je sommige werken „in de tijd” moet plaatsen en geeft de voorkeur aan Rembrandt en Vermeer — vertegenwoordigers van een protestants kunstgevoel — boven de katholieke tradities van Van Eyck en Rubens. Die culturele scheidslijn, zo blijkt uit gesprekken, is voelbaar over de grens heen, ook al spreken Vlamingen en Nederlanders dezelfde taal.
De kunstenaar, die een expositie in Workum heeft maar liever grapjes maakt aan de bar, vat Gent droogjes samen: het „lijdt aan gezelligheid.” Het stuk schetst zoveel indrukken — literair, artistiek en anekdotisch — en reflecteert op hoe kunst, persoonsverhalen en cultuurverschil samen het stadsbeeld kleuren.