Wordt oorlog het nieuwe normaal in Soedan? 'Oorlogen duren hier vaak twintig jaar. We zitten nu pas in jaar drie'
In dit artikel:
Mohamed Hamdan “Hemedti” Dagalo, leider van de paramilitaire Rapid Support Forces (RSF), zei recent dat hij bereid is de oorlog in Soedan nog jaren vol te houden als dat nodig is. Sinds het uitbreken van gevechten tussen zijn RSF en het reguliere leger (Sudanese Armed Forces, SAF) in 2023 is er geen duidelijke winnaar gekomen; de strijd lijkt eerder te verstarren dan te worden beslist. De RSF claimt naar eigen zeggen honderdduizenden strijders — in de berichtgeving wordt het aantal van ongeveer 450.000 genoemd — waarmee het conflict mogelijk decennia kan voortduren.
Militair is het land grofweg in twee machtsblokken verdeeld. De SAF beheerst het noorden, oosten, de Nijlvallei en het grootste deel van Khartoem, met Port Sudan als belangrijke machtsbasis. De RSF controleert vrijwel geheel Darfur en organiseert vanuit Nyala een parallel bestuur. De Crisis Group waarschuwde recent voor een fragiel nieuw machtsevenwicht; de VN berekende dat, als de oorlog tot 2030 aanhoudt, meer dan 60 procent van de Soedanezen in extreme armoede kan vervallen.
De huidige impasse is geworteld in de nasleep van de revolutie van 2019, die dictator Omar al-Bashir verdreef en tijdelijke hoop op een burgerbestuur wekte. In plaats van een democratische overgang bleven militaire machthebbers — culminerend in de staatsgreep van 2021 waarbij Burhan en Hemedti een centrale rol speelden — hun eigen belangen nastreven. Wat ooit een gezamenlijke overgang moest worden, is uitgehold: de Constitutionele Verklaring uit 2019 is praktisch buiten werking en beide kampen bouwen eigen staatsstructuren en achterbannen op.
Politicoloog Kholood Khair (Confluence Advisory) schetst hoe de militaire strijd op het veld veelal taktisch is: partijen nemen gebieden in maar trekken zich vaak weer terug, en frontale beslissende confrontaties zijn zeldzaam. Waar de oorlog wél keihard wordt gevoerd, is tegen de burgermaatschappij: journalisten, artsen en activisten zijn doelwit. Beide leiders hanteren retoriek en mobilisatie die zowel hun binnenlandse rekruteringsbasis als internationale bondgenoten moeten aansporen. Hemedti richt zich vooral op Arabische gemeenschappen uit Darfur en Kordofan, Burhan op pro-militair en islamistisch gezinde netwerken.
Militair succes hebben beide zijden tot dusver nauwelijks behaald. Het afgelopen droge seizoen leverde voor beide partijen tegenvallers op: aangekondigde offensieven brachten niet de verwachte beslissende winsten. Tegelijk heeft de oorlog de generaals wel iets gegeven wat de staatsgreep niet opleverde: een zichtbare politieke achterban, een eigen machtsapparaat en economische netwerken die de oorlog mogelijk maken. Dat mechanisme versterkt de impasse: niemand verliest genoeg om een vrede te overwegen, maar niemand wint ruim genoeg om de ander uit te schakelen.
De regionale dimensie maakt een oplossing extra ingewikkeld. Financiële en militaire steun van landen in de Golf en de regio voedt de strijd: de Verenigde Arabische Emiraten wordt vaak genoemd als RSF-backer, terwijl Egypte, Saoedi-Arabië, Qatar en Turkije nauwe banden met verschillende partijen onderhouden. Internationale pogingen zoals de ‘Quad’ (onder leiding van de VS en met Saudi-Arabië, Egypte en de Emiraten) stuiten op een fundamenteel probleem: landen met directe invloed op de strijdpartijen zitten zelf deels aan de kant van die partijen, waardoor neutrale bemiddeling lastig is.
Experts pleiten daarom voor een andere volgorde: eerst zware internationale druk op de regionale sponsors, en daarna een breed gedragen politiek proces waarin de Afrikaanse Unie, de Arabische Liga, de VN en de EU een rol spelen. Pas na zo’n politiek spoor zou een humanitair bestand en uiteindelijk een staakt-het-vuren mogelijk zijn; zonder dit blijven lokale milities en de oorlogseconomie het conflict voeden.
Het vooruitzicht is somber: Soedan dreigt te versplinteren tot een land dat op papier bestaat maar in praktijk uiteenvalt in uiteenlopende machtsgebieden, gedragen door etnisch georganiseerde milities met eigen inkomstenstromen. Analisten vergelijken het scenario eerder met Somalië dan met Libië, vanwege de omvang van het grondgebied, de veelheid aan gewapende groeperingen en de groeiende dreiging van extremisme.
Toch is er binnenlandse dynamiek die hoop kan bieden. De revolutie heeft politieke gewoonten en verwachtingen gevestigd: burgers eisen nog steeds diensten, veiligheid en werk. Massale moeheid en protesten tonen dat de bevolking geen permanente militarisering accepteert. Met een jonge generatie die politiek bewust is geworden, blijft er druk bestaan op leiders om op termijn terug te keren naar een politieke oplossing — maar zonder serieuze, coherente internationale en regionale druk zal die terugkeer moeilijk zijn.