Wordt het tijd om internationaal afspraken te maken over het uitfaseren van fossiele brandstoffen?
In dit artikel:
Tzeporah Berman, een Canadese milieuactiviste met decennia ervaring in bosbescherming, is initiatiefnemer van het Fossil Fuel Non‑Proliferation Treaty: een juridisch bindend akkoord dat de uitbreiding van olie-, gas‑ en kolenproductie moet stoppen en de bestaande fossiele infrastructuur geleidelijk wil afbouwen. Het idee wordt eind april 2026 voor het eerst op een grotere internationale bijeenkomst besproken tijdens een conferentie in Santa Marta (Colombia), georganiseerd door Colombia en Nederland. Hoewel Nederland de top mede faciliteert, heeft het kabinet nog geen inhoudelijke steun uitgesproken voor het verdrag, wat binnenlandse politieke kritiek oproept.
Achtergrond en aanleiding
Berman begon haar carrière als bosbeschermer en richtte zich later op de link tussen fossiele brandstoffen en ontbossing en klimaatverandering. Haar ervaring in gesprekken met overheden en oliebedrijven in Canada leidde tot de constatering dat klimaatpolitiek vaak uitsluitend op het terugdringen van uitstoot per product streeft en niet op het beperken van de totale productie van fossiele brandstoffen. Dat dualisme — vraagreductie versus aanbodreductie — is volgens haar een belangrijke verklaring waarom mondiale klimaatdoelen ondanks het Akkoord van Parijs niet worden gehaald.
Het probleem in de internationale politiek
Het huidige VN‑systeem vereist vaak consensus, waardoor olie‑ en gasproducerende landen besluiten kunnen blokkeren. Daardoor blijven wereldwijd investeringen en plannen voor nieuwe winningen doorgaan, terwijl wetenschappelijke analyses aangeven dat geplande productie ver boven wat compatibel is met 1,5°C ligt. Die institutionele impasse noemen deskundigen een ontwerpfout van het internationale klimaatbeleid: er is te veel aandacht voor symptoombestrijding (technologieën, compensatie) en te weinig voor het reguleren van aanbod.
Het verdrag en hoe het eruit zou kunnen zien
Berman benadrukt dat het verdrag niet vraagt om een onmiddellijke stop van gebruik maar om gezamenlijke afspraken tegen uitbreiding van productie en om een geplande afbouw van bestaande infrastructuur, inclusief financiële mechanismen om kwetsbare landen te steunen. Belangrijke onderdelen zouden handelstarieven, belastingen en schuldstructuren adresseren die landen nu vaak dwingen te blijven produceren. Het doel is een “coalition of the willing” te vormen die het internationale kader verandert, vergelijkbaar met hoe het Ottawa‑verdrag tegen landmijnen en het verdrag tegen kernwapens normen hebben verschoven, ook als niet alle staten direct meedoen.
Wie steunt het initiatief
Tot nu toe hebben vooral kwetsbare en kleine staten zich formeel achter het idee geschaard: Pacifische eilanden (Fiji, Nauru, Tuvalu, Vanuatu), Caribische landen en achttien landen in totaal, waaronder Pakistan en opvallend genoeg Colombia — dat zelf een belangrijke kolenexporteur is, maar onder president Gustavo Petro actief streeft naar minder afhankelijkheid van fossiele inkomsten. De juridische steun is versterkt door een recente uitspraak van het Internationaal Gerechtshof die landen verplicht tot voldoende klimaatactie, wat ruimte schept om productie te reguleren.
De rol van de conferentie in Santa Marta
De bijeenkomst in Santa Marta, een havenplaats met grote rol in de kolenexport, is bedoeld als eerste serieus internationaal forum om het non‑proliferatievoorstel te bespreken en bestuurlijke en financiële knelpunten in kaart te brengen. Formeel staat een bindend verdrag nog niet op de agenda, maar Berman en haar organisatie zijn intensief bij de voorbereiding betrokken.
Nederlandse ambivalentie en binnenlandse politiek
Dat Nederland co‑organiseert is opmerkelijk omdat het kabinet het verdrag nog niet heeft ondertekend. Vorig jaar besliste minister Sophie Hermans wel om een vergunning voor gaswinning bij Ternaard in te trekken — een politiek gevoelige maatregel — maar het kabinet houdt vol dat het nationaal beleid niet stuurt op het verminderen van productie. Huidige en voormalige Nederlandse ministers (Rob Jetten, Stientje van Veldhoven) hebben terughoudendheid geuit: zij willen voortbouwen binnen bestaande klimaatakkoorden en Europese samenwerking, uit angst dat een apart verdrag niet breed genoeg gedragen zou worden. Parlementariërs en klimaatorganisaties (onder meer Christine Teunissen van de Partij voor de Dieren en Milieudefensie‑leider Donald Pols) noemen die houding schijnheilig: Nederland zou niet alleen het proces moeten faciliteren maar ook inhoudelijk steun moeten geven.
Kansen en obstakels
Voorstanders zien kansen in het creëren van koplopers die normen veranderen en zo politieke ruimte bieden om productie te reguleren; tegenstanders wijzen op geopolitieke weerstand van grote producenten en de complexiteit van het financieren van een rechtvaardige transitie. Juridische uitspraken en voorbeelden van eerder internationaal succes (landmijnen, nucleair non‑proliferatie‑normen) bieden moreel en tactisch precedent, maar het verdrag zal afhankelijk zijn van praktische afspraken over financieren, handel en schuldverlichting om landen daadwerkelijk over de streep te krijgen.
Kortom: de Santa Marta‑conferentie kan een belangrijk moment worden om het debat van vraag‑ naar aanbodbeperking op te schalen en praktische paden te verkennen, maar of dat leidt tot een breed gedragen, bindend verdrag hangt af van politieke wil, financiële mechanismen en het vermogen om grote producenten en economische belangen te overtuigen. Nederland speelt een faciliterende rol, maar de vraag of het ook inhoudelijk meedoet blijft open en vormt een binnenlandse twistappel.