Woord op Zondag - Slangen en Ladders: de Tragische Queeste van Jason Arday

zondag, 16 augustus 2026 (07:15) - Nijmans Nieuwsbriefje

In dit artikel:

De benoeming van Jason Arday tot hoogleraar onderwijssociologie aan de Universiteit van Cambridge kreeg internationaal aandacht. Arday werd gepresenteerd als de jongste zwarte hoogleraar ooit aan de universiteit, nadat hij volgens zijn biografie een uitzonderlijke weg had afgelegd: hij zou in zijn jeugd mutisme hebben gehad, pas op zijn achttiende hebben leren lezen en schrijven, daarna een opleiding tot gymleraar en een promotie hebben afgerond en vervolgens snel carrière hebben gemaakt in de academische wereld. Voor zijn benoeming in Cambridge werkte hij onder meer in Durham en Glasgow en ontving hij meerdere eredoctoraten.

Volgens de auteur zijn inmiddels echter ernstige twijfels gerezen over de betrouwbaarheid van Ardays academische prestaties. Publicaties zouden methodologisch ondeugdelijk zijn en mogelijk gefingeerde interviews bevatten. In zijn proefschrift zouden plagiaat en andere problemen voorkomen. Critici hadden daar volgens het essay al eerder op gewezen, maar het proefschrift werd na een eerdere aanvechting opnieuw goedgekeurd. De Amerikaanse wetenschapsfilosoof Nathan Cofnas bracht de bekende bezwaren uiteindelijk via zijn blog naar buiten; Britse media zouden daarvóór terughoudend zijn geweest. Critici zouden bovendien met juridische dreigementen zijn geïntimideerd.

De auteur stelt dat de kwestie daarom niet kan worden afgedaan als een op zichzelf staand incident. Tientallen begeleiders, examinatoren, collega’s, redacteuren, benoemingscommissies en journalisten zouden de problemen niet hebben gezien of niet hebben durven benoemen. Dat roept volgens hem bredere vragen op over de kwaliteit en controlemechanismen binnen de onderwijskunde en sociologie, maar ook over de manier waarop universiteiten omgaan met diversiteit, antiracisme, prestige en maatschappelijke verwachtingen. Zowel critici als verdedigers zouden de zaak te eenvoudig verklaren: de een wijst op ‘woke’ universiteiten en dalende academische standaarden, de ander op racisme en uitsluiting van zwarte academici.

Het essay wil volgens de auteur juist voorbij die karikaturen kijken. Hij presenteert zichzelf als bijzonder geschikt om de zaak te analyseren: hij is gepromoveerd onderwijskundige, kent de Britse academische wereld van binnenuit, onderzocht in zijn proefschrift de werking van verhalen en werkt daarnaast als pastoor. Vanuit die combinatie leest hij Ardays autobiografie, *Great and Unfortunate Things*, niet alleen als een verzameling controleerbare feiten, maar als een verhaal met een bepaalde structuur en aantrekkingskracht.

De centrale stelling is dat Ardays levensverhaal grotendeels mythologisch functioneert. Het bevat volgens de auteur elementen van een sprookje of queeste: een uitzonderlijk kind, lijden en tegenwerking, helpers en opdrachtgevers, een held die door zijn eigen verwondingen anderen zou kunnen genezen en inspireren, en uiteindelijk de toegang tot een glanzend academisch kasteel. In een seculiere samenleving die haar gedeelde betekenis en grote verhalen is kwijtgeraakt, kan zo’n verhaal volgens het essay bijzonder krachtig werken. Mensen zeggen dat ze in feiten geloven, maar worden volgens de auteur nog altijd gestuurd door mythen, beelden en herkenbare verhaalpatronen.

Dat maakt factchecking noodzakelijk, maar volgens de auteur onvoldoende. De vraag is niet alleen welke gebeurtenissen werkelijk hebben plaatsgevonden, maar ook waarom het verhaal zoveel mensen wist te overtuigen en waarom Arday als uitzonderlijk en inspirerend werd gezien. De auteur vermoedt onder meer dat elementen als autisme in de autobiografie functioneren als motieven die het beeld van een uniek, voorbestemd en bijzonder kind versterken. Hij benadrukt dat dit een interpretatie van de verhaalwerking is, niet uitsluitend een oordeel over de feitelijke juistheid van zulke claims.

Onder de sprookjesachtige vorm ziet de auteur bovendien een tweede genre: de tragedie. In zijn lezing ontstaan in Ardays eigen autobiografie al scheuren tussen de held die hij lijkt te zijn en de persoon die hij werkelijk is. De succesvolle carrière, de erkenning en het verlangen naar betekenis zouden daardoor uiteindelijk omslaan in ontmaskering. Het verhaal begint als een inspirerend sprookje, maar verraadt volgens de auteur steeds sterker dat het kasteel zal instorten.

De tekst vormt de inleiding op een reeks van vier essays. In vervolgdelen wil de auteur de autobiografie verder analyseren, uitleggen waarom Arday mensen kon inspireren en verleiden, en het beeld van de ‘sjamaan’ gebruiken voor iemand die door anderen als bijzondere gids of genezer wordt gezien. Zo’n figuur bestaat volgens hem niet los van de samenleving: een gemeenschap maakt iemand tot sjamaan omdat zij behoefte heeft aan diens betekenis en charisma. Dat maakt zo iemand tegelijk aantrekkelijk en riskant, zeker wanneer hij tot hoogleraar wordt benoemd zonder dat zijn werk voldoende kritisch is getoetst.

In het laatste deel wil de auteur onderzoeken hoe de Britse onderwijskunde zelf de omstandigheden heeft geschapen waarin Arday kon promoveren en vervolgens carrière maken. Zijn voorlopige conclusie is dat de affaire geen toevallige ontsporing is, maar het resultaat van een proces dat al jaren eerder begon. De zaak zegt daarmee volgens hem niet alleen iets over Arday, maar ook over de academische instituties, hun controlemechanismen en hun ontvankelijkheid voor krachtige verhalen over succes, representatie en verlossing.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside: Johan Derksen staat plotseling op tijdens het vertellen van anekdote: 'Toen was alles weg!'