Woning uit vaders erfenis voor €900.000 verkocht: broer moet toch €204.021,43 plus rente betalen
In dit artikel:
Na het overlijden van hun vader in 2020 erfden twee broers het ouderlijk vermogen. Eén broer kreeg het ouderlijk huis, de garage en vaders aandeel in een aangrenzende kavel, op voorwaarde dat hij de waarde aan zijn broer zou vergoeden. In november 2020 spraken zij een waarde af van €987.500 voor het huis, €100.000 voor de kavel en €42.500 voor de garage. Volgens het testament werd de schuld opeisbaar bij verkoop of na vijf jaar, met 4 procent rente vanaf het overlijden.
Door jarenlange ruzies kwam de afwikkeling niet rond. De woning werd uiteindelijk in februari 2024 verkocht voor €900.000 en in mei 2025 geleverd. De broer die het huis had gekregen, vroeg de Rechtbank Amsterdam daarop om de afgesproken woningwaarde te verlagen naar €903.143 en de rente te schrappen of tot 1 procent te verlagen. Hij stelde dat zijn broer de afwikkeling had vertraagd en dat de lagere verkoopprijs aantoonde dat de oorspronkelijke waardering te hoog was.
De rechtbank wees die verzoeken af in een vonnis en beschikking die in oktober 2026 werden gepubliceerd. Volgens de rechter blijkt uit de correspondentie dat beide broers verantwoordelijk waren voor de vertraging. Bovendien had de broer vóór de verkoop 146 vierkante meter tuin afgesplitst en zelf aan de aangrenzende kavel toegevoegd. Tegen de door hemzelf genoemde waarde van €700 per vierkante meter kwam de totale waarde daarmee alsnog uit op ongeveer €987.500.
De rechtbank ziet daarom geen reden om de eerdere afspraak op grond van redelijkheid en billijkheid te wijzigen. Ook is geen sprake van schuldeisersverzuim. De broer moet zijn broer €204.021,43 betalen, vermeerderd met 4 procent rente per jaar vanaf 5 september 2025. De gevraagde incassokosten werden afgewezen en beide partijen dragen hun eigen proceskosten.
Vandaag Inside: Johan Derksen doet opvallende suggestie: Marco Borsato als nieuwe Topper?