Wonen wordt een financieel risico voor lage en middeninkomens
In dit artikel:
Oud‑DNB‑president Nout Wellink waarschuwde recent voor het gevaar van stagflatie in Nederland: gelijktijdig aanhoudende inflatie en een vertragende economie. Die ontwikkeling wordt al zichtbaar in stijgende prijzen voor boodschappen, energie en vervoer, terwijl loon- en inkomensgroei achterblijven — een combinatie die vooral lage en middeninkomens treft.
De woningmarkt speelt hierin een centrale rol. Betaalbaarheid is meer geworden dan schaarste alleen; financiële stabiliteit van huishoudens staat onder druk doordat huur, energie, onderhoud en gemeentelijke lasten oplopen. Huurders voelen directe effecten omdat huurniveaus, servicekosten en kosten voor het in stand houden van vastgoed meegroeien met inflatie en marktdruk. Vooral oudere wooncomplexen lopen achterstanden op.
Een zwakke schakel zijn VvE’s van vroegere sociale huurwoningen die zijn verkocht (uitponden): versnipperd particulier eigendom met gezamenlijke onderhoudsverplichtingen. Vereniging Eigen Huis schat dat circa één op de vijf VvE’s financieel ongezond is — met lage reserves, achterstallig onderhoud en onvoldoende middelen voor verduurzaming. Politiek debat richt zich veelal op nieuwbouw en doorstroming, terwijl deze problemen weinig aandacht krijgen.
Als stagflatie doorzet, worden onderhouds- en investeringskosten hoger terwijl bewoners minder buffer hebben. Dat leidt tot uitstel van onderhoud, oplopende meerjarenkosten en steeds vaker extra, incidentele VvE‑bijdragen — financiële schokken die voor lagere inkomens ernstig kunnen zijn. In die zin zijn risico’s verschoven van corporaties en collectieve voorzieningen naar individuele huishoudens.
Belangrijk is dus niet alleen hoeveel woningen er bijkomen, maar of wonen voor lage en middeninkomens ook financieel houdbaar en toekomstbestendig blijft; aandacht voor VvE‑weerbaarheid, reserveopbouw en gerichte steun kan nodig zijn.