WK van migranten: kwart van de voetballers speelt niet voor geboorteland

zondag, 14 juni 2026 (16:34) - NRC Handelsblad

In dit artikel:

Als Frankrijk en Senegal dinsdagavond in New Jersey beginnen aan hun WK-duel, staan er elf spelers per ploeg op het veld — maar veel meer van hen werden in Frankrijk geboren. Van de 26 Senegalezen in de selectie is de wieg bij tien in Frankrijk, en over het hele toernooi telt NRC maar liefst 97 geselecteerden die in Frankrijk zijn geboren. Slechts 22 daarvan spelen voor het Franse elftal; de rest vertegenwoordigt onder andere Algerije (13), DR Congo (11), Haïti (11), Ivoorkust (9), Tunesië (6), Marokko (6) en meerdere andere landen.

NRC onderzocht bijna 13.000 spelers die ooit voor een WK zijn opgeroepen, grotendeels op basis van data van onderzoeker Gijs van Campenhout (Universiteit Utrecht). Uit het onderzoek blijkt dat Frankrijk het land is waar de meeste WK-spelers zijn geboren, met Nederland op afstand als tweede. Van de 26 Nederlanders in de huidige selectie is er maar één buitenslander (Guus Til, geboren in Zambia). Tegelijkertijd zijn er meer in Nederland geboren spelers die voor andere landen uitkomen (42) dan voor Oranje (25). In de huidige Oranje-selectie heeft 53 procent een migratieachtergrond — een niveau dat eerder niet voorkwam bij Nederlandse WK-deelnames (op 1934/1938/1974/1978 na).

Het fenomeen is niet nieuw, maar is de afgelopen decennia sterker geworden door postkoloniale migratiestromen en globalisering. Historische voorbeelden illustreren dit al: Luis Monti (Argentinië en later Italië), Ferenc Puskás (Hongarije, later Spanje), Eusebio (geboren in Mozambique) en Miroslav Klose (geboren in Polen) speelden allemaal op hoogste niveau voor meer dan één nationale context. Wat nu anders is, is de schaal: volgens het onderzoek is dit WK het meest “migrantrijke” toernooi tot nu toe.

Een tweede belangrijke factor is dat voetbalbonden actiever spelers in de diaspora opsporen en benaderen. Marokko is een duidelijk voorbeeld: waar in 1998 nog bijna alle Marokkanen uit het thuisland kwamen, is inmiddels driekwart van de selectie buiten Marokko geboren. De bond werft expliciet in Europa, legt jeugdspelers vast en ziet recruitment als strategisch onderdeel van het bouwen aan een sterk team. Dat geldt ook voor landen als Curaçao: hun WK-selectie bevat vooral in Nederland geboren spelers met Caribische roots; slechts een enkele speler (Tahith Chong) is op het eiland geboren.

Spelers zelf noemen meerdere redenen om voor het land van hun ouders of grootouders te kiezen: meer speelkansen, actieve benadering door de bond en soms ervaringen met discriminatie in het geboorteland. Voetbalpolitiek en publieke reacties tonen de keerzijde: terrotten als “geen echt Frans team” of racistische opmerkingen richting spelers met migratieachtergrond duiken bij mondiale toernooien regelmatig op, wat de identiteitsdiscussie extra scherp zet.

De uitbreiding van het WK naar 48 landen speelt ook mee: meer plekken voor kleinere landen vergroot de kans dat landen met veel diaspora-voetballers zich kwalificeren. Debutanten als Congo en Haïti bestaan dit jaar grotendeels uit in het buitenland geboren spelers. Van Campenhout benadrukt dat koloniale geschiedenis en globalisering beide terug te zien zijn in moderne selecties: voor veel kleinere landen vormen buitenlanders met wortels in het moederland een kans om internationaal succes en nationale binding te versterken.

Kortom: het huidige WK weerspiegelt niet alleen sportieve ontwikkelingen, maar ook migratiegeschiedenis, postkoloniale verbindingen en actieve scouting van diaspora’s. Teams zijn steeds vaker linten waarin meervoudige identiteiten samenkomen: onder één vlag vormen spelers met uiteenlopende achtergronden een nationaal collectief — en dat collectief zegt veel over de moderne wereldgeschiedenis.