Wij zijn misschien niet in Poetin geïnteresseerd - hij wel in ons
In dit artikel:
Ik sta in Hoofddorp tegenover de organisator van een symposium waar ik straks spreek over diversiteit en inclusie — ik kom net van een reis van meer dan 36 uur: nachttrein van Dnipro naar Kyiv, daarna per auto naar Krakau en vroeg vlucht naar Amsterdam. Aanvankelijk leg ik in één adem uit waarom ik betrokken blijf bij Oekraïne: als dat land valt, blijft een autoritair regime ongestraft in Europa; Oekraïne verdedigt niet alleen zichzelf, maar houdt het Russische geweld op afstand van ons. Voor die overtuiging zamel ik geld in en lever ik materiaal ter plaatse.
Die inzet markeert een persoonlijke koerswijziging. Na dertig jaar als journalist heb ik mijn perskaart ingeleverd omdat ik niet langer neutraal wil blijven: ik wil openlijk fondsen werven en materiële hulp brengen. Het journalistieke ambacht van onpartijdigheid voelt in oorlogstijd niet langer toereikend voor wat er volgens mij op het spel staat: de rechtsstaat, democratie en veiligheid van Europa.
Het essay bevat scherpe geopolitieke observaties: de wereld is veranderd, de tijd van vanzelfsprekende Westerse superioriteit is voorbij. Amerika zaait twijfels over garanties, grote techbedrijven maken ons afhankelijk, en Rusland voert een agressieve, disruptieve politiek — deels via cyberaanvallen die minder dramatische beelden opleveren maar grote schade toebrengen. Daarom pleit de auteur voor afschrikking tegen autoritaire regimes en voor breder besef dat de dreiging dichtbij is.
Concreet handelen staat centraal in zijn verhaal. Hij sloot zich aan bij konvooien van Nederlandse vrijwilligersorganisaties (Protect Ukraine, Hope4Ukraine, Stichting Diel/Vrienden van Oekraïne), reed leveren naar frontregio’s en bezocht meerdere Oekraïense steden: Kharkiv, Zaporizja, Dnipro. Hij sprak met een jonge dronepilote, constructiewerkers, een psycholoog die rekruten voorbereidt en beroepssoldaten uit andere landen. Indrukwekkende, pijnlijke momenten: begrafenissen in Lviv, duizenden rouwenden bij militaire graven en beelden van verwoeste voorsteden zoals Irpin. Een schrijnende observatie onderweg: veel zwerfhonden blijken opvallend goed gevoed — mogelijk door kadavers van Russische soldaten die niet worden opgehaald, wat volgens de auteur iets zegt over hoe het Russische leger met zijn doden omgaat.
Praktische voorbeelden van hulp: bij een gratis lezing in Pakhuis de Zwijger vroeg hij per QR-code om donaties voor Frontliner, een Oekraïens journalistencollectief; de zaal gaf snel meer dan de beoogde duizend euro, uiteindelijk zo’n twaalfduizend euro. Zulke acties, zegt hij, geven mensen een handelingsperspectief en herstellen een schaars geworden wij-gevoel. Samen werken voorkomt dat alarmisme omslaat in apathie.
De auteur benadrukt dat iedereen iets kan doen: geld doneren, een benefiet organiseren, spaarbedragen vrijmaken, uw huis isoleren om energie-onafhankelijkheid te vergroten, werkdruk uitoefenen om minder afhankelijk te worden van Amerikaanse technologie. Hij beschrijft hoe contact ontstond met vrijwilligers uit onverwachte hoeken — jonge gelovigen uit de bible belt die gebouwen herstellen en traumacentra opzetten — en hoe die gedeelde inzet bruggen sloeg tussen verschillende levenswerelden.
Zijn conclusie is een oproep tot handelen: minder eindeloos analyseren en meer doen. In een wereld waarin de vrijheden weer moeten worden bevochten, volstaat morele verontwaardiging niet; concrete steun en collectieve inzet zijn volgens hem noodzakelijk om democratie en veiligheid te verdedigen.