Wie vormt de grootste bedreiging voor ons geld? Trump, de Russen of wijzelf?
In dit artikel:
Afgelopen najaar bleek hoe kwetsbaar Europese burgers en instellingen zijn voor Amerikaanse economische druk, toen medewerkers van het Internationaal Strafhof — onder wie de Fransman Nicolas Guillou — door de Amerikaanse regering op sanctielijsten werden geplaatst. Hun wereld werd praktisch onzichtbaar: afgesloten Amazon-, Airbnb- en PayPal-accounts, geen toegang tot e-mails en vooral: het onvermogen om elektronische betalingen te verrichten zodra een transactie ook maar indirect via Amerikaanse bedrijven of dollars loopt. Guillou vatte zijn ervaring samen: “We hebben geen ruimte meer voor naïviteit.”
De casus illustreert een bredere afhankelijkheid. Achter het ogenschijnlijk eenvoudige pinnen schuilt een keten van dienstverleners, waarvan veel spelers Amerikaans zijn. De dominante betaalnetwerken Mastercard en Visa verwerken gezamenlijk circa 61 procent van de transacties in de eurozone; in Nederland is het aandeel nog groter sinds het nationale PIN-systeem werd afgebouwd. Daarmee kan een buitenlandse overheid die toegang tot Amerikaanse financiële infrastructuur blokkeert — door sancties of technische verstoring — in korte tijd grote delen van het Europese betalingsverkeer lamleggen.
Als antwoord is de digitale euro hernieuwd naar voren geschoven. Europese regeringen stemden in december in met verdere ontwikkeling van een door centrale banken uitgegeven digitale munt. Het voornemen omvat twee vormen: een ‘online’ digitale euro die via bestaande bankapps beschikbaar komt, en een ‘offline’ portemonnee in de vorm van een chip op telefoon of pasje om betalingen ook zonder netwerk mogelijk te maken. De Europese instellingen en het Parlement werken nog aan de details; invoering is niet voor 2029 verwacht.
Historische en politieke achtergronden verklaren de haast. Het ondernemerstijdperk van privaat geld en zorgen over tech-munten begon duidelijk toen Facebook in 2016 libra aankondigde — die dreiging wakkerde centrale banken aan. Ook de financiële crisis van 2008 speelde een rol: publieke geldtoegang bij een centrale bank kan een veilige haven scheppen en voorkomen dat bankenreddingen altijd ten koste gaan van belastingbetalers, betoogde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid al in 2019. DNB en andere centrale autoriteiten omschrijven het betalingsverkeer als cruciale infrastructuur die beschermd moet worden.
Toch is de digitale euro geen onomstreden oplossing. Sterke lobby van de financiële sector probeert invloed uit te oefenen op ontwerpkeuzes. Een aantal commerciële banken, waaronder ING, werkt aan hun eigen commerciële alternatief (Wero), en heeft er belang bij dat de publieke digitale munt beperkt aantrekkelijk wordt. Huidige ontwerpvoorstellen van de ECB en beleidsmakers bevatten ingrijpende restricties: burgers zouden geen rechtstreeks rekening bij de centrale bank kunnen openen; digitale eurotegoeden moeten worden aangehouden bij commerciële banken; over die tegoeden wordt geen rente uitgekeerd; en er komt waarschijnlijk een plafond van enkele duizenden euro’s per persoon. Deze beperkingen zijn volgens beleidsmakers bedoeld om financiële stabiliteit te beschermen en bankruns te voorkomen, maar critici zien hierin een fundamentele verzwakking van het doel van publiek, soeverein geld.
Aan de andere kant klinken ook zorgen over privacy en controle. Voorstanders wijzen erop dat in tegenstelling tot China — waar de digitale e-yuan mogelijkheden biedt voor toezichthoudende controle — de Europese plannen programmatieverbod en privacybescherming inbouwen, waardoor de ECB niet kan bepalen waaraan consumenten hun digitale euro’s mogen besteden. Toch voedde een mix van complotdenken en reële angsten brede publieke weerstand; demonstranten en sommige politieke partijen vrezen dat digitale geldsystemen gebruikt kunnen worden voor gedragssturing of negatieve rentes.
Academici en prominente economen waarschuwen dat de digitale euro niet mag worden uitgehold. Een groep van zeventig experts, onder wie Thomas Piketty, riep politici op snel keuzes te maken zodat burgers hun controle over geld blijven behouden en niet afhankelijk worden van private of buitenlandse machtsblokken. Financieel journalist Thomas Bollen betoogt zelfs dat de digitale euro privacyvriendelijker kan zijn dan huidige commerciële banktegoeden, mits ontwerpkeuzes behouden blijven.
De kernvraag blijft dus politiek en technisch: wie krijgt de controle over geld in het digitale tijdperk — publieke centrale banken met een echt alternatief voor privaat geld, commerciële banken die hun rol behouden, of buitenlandse technologisch-financiële machten? De zaak van Guillou maakt het dringende belang van die keuze zichtbaar: zonder meer financiële en digitale soevereiniteit kunnen democratie en rechtstaat op termijn worden aangetast. De uitkomst zal bepalen of Europa een echte veilige haven voor betalingen bouwt, of dat de nieuwe digitale mogelijkheid het bestaand afhankelijkheidsprobleem alleen maar verdoezelt.