Wie betaalt de koffie?

vrijdag, 16 oktober 2026 (11:54) - Joop

In dit artikel:

Bijna vier jaar na de excuses van premier Mark Rutte (december 2022) en koning Willem-Alexander (juli 2023) debatteerde de Tweede Kamer over het vervolg van de erkenning van het Nederlandse slavernijverleden. Rutte noemde zijn excuses destijds een „komma, geen punt”. Een plan van nazaten, de Nationale route naar herstel, moet aangeven wat er na die komma moet gebeuren. Het kabinet stelde eerder 200 miljoen euro beschikbaar voor bewustwording, herdenking en onderzoek.

Tijdens een debat van de commissie Binnenlandse Zaken met minister Pieter Heerma bleken de politieke verschillen groot. PRO, DENK en D66 pleiten voor een concrete route naar herstel. CDA en VVD steunen de excuses, maar wachten verdere voorstellen af. PVV, JA21, FVD en Mona Keijzer vinden dat de overheid inmiddels voldoende heeft gedaan.

PVV-Kamerlid Martin Bosma stelde dat Nederland bij de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 al financieel had afgerekend met het slavernijverleden. Hij verwees naar de 3,5 miljard gulden aan ontwikkelingsmiddelen die Nederland volgens het onafhankelijkheidsverdrag aan Suriname toezegde. Minister Heerma weersprak die uitleg: in het verdrag wordt het slavernijverleden niet genoemd en het geld was bedoeld voor ontwikkelingssamenwerking, niet als herstelbetaling. Volgens het kabinet waren de excuses daarom een moreel-ethisch gebaar en geen erkenning van een financiële schuld aan individuele Nederlanders.

De auteurs plaatsen daar historische kanttekeningen bij. De enige expliciete compensatie rond de afschaffing van de slavernij in 1863 ging naar plantage-eigenaren: 300 gulden per tot slaaf gemaakte in Suriname en 200 gulden op de eilanden. De vrijgemaakte mensen kregen niets en moesten nog tien jaar onder staatstoezicht werken. Historisch onderzoek van Pepijn Brandon en Ulbe Bosma laat volgens de auteurs bovendien zien hoe belangrijk Atlantische slavernij was voor de Nederlandse economie: in 1770 hing 5,2 procent van de economie van de Republiek en 10,4 procent van die van Holland ermee samen; veertig procent van de economische groei van Holland zou eraan zijn toe te schrijven.

Keijzer vroeg wanneer erkenning en wat zij „schuldcultuur” noemt moeten eindigen. De auteurs antwoorden dat individuele Nederlanders geen persoonlijke schuld dragen, maar dat de Nederlandse Staat wel verantwoordelijkheid draagt als rechtsopvolger van de staat die aan slavernij verdiende. Volgens hen werkt het verleden door in taal, instituties, families en maatschappelijke verwachtingen, ook zonder dat mensen zich daar bewust van zijn.

Als voorbeeld noemen zij de controle op uitwonendenbeurzen door DUO tussen 2012 en 2023. Een risicomodel selecteerde studenten met een migratieachtergrond relatief vaak voor huisbezoeken, hoewel afkomst geen expliciet criterium was. Het kabinet erkende indirecte discriminatie, bood excuses aan en trok 61 miljoen euro uit voor ruim tienduizend gedupeerden. Voor de auteurs toont dit aan hoe ongelijke effecten kunnen ontstaan zonder opzet of „actieve herinnering”.

Zij wijzen ook op andere vormen van staatsherstel, zoals de tegemoetkomingen aan slachtoffers van de Holocaust en hun nabestaanden, de structurele uitkeringen sinds 1973 en de vergoedingen van de NS aan slachtoffers en nabestaanden van deportaties. Ook bij de toeslagenaffaire erkende de overheid tienduizenden gedupeerden en keerde zij miljarden uit. Deze voorbeelden laten volgens de auteurs zien dat herstel kan bestaan uit erkenning, individuele betalingen, steun aan gemeenschappen en aandacht voor volgende generaties. Voor het slavernijverleden ontbreekt echter nog een gezamenlijk doel of meetlat. Heerma wilde geen aparte routekaart of concreet eindpunt toezeggen.

Een ander discussiepunt was het onderwijs. Bosma bekritiseerde een lespakket over racisme, terwijl DENK-Kamerlid Stephan van Baarle aandacht vroeg voor de ramp met het slavenschip Leusden. In 1738 kwamen 664 tot slaaf gemaakte mensen om nadat de bemanning de luiken had gesloten en zichzelf, zestien gevangenen en een kist goud had gered. VVD-Kamerlid Daan de Kort zei het verhaal niet te kennen. Volgens de auteurs is juist het opnemen van zulke gebeurtenissen in het onderwijs essentieel, ongeacht of dat „dekolonisatie” wordt genoemd.

Tot slot betogen zij dat de Nederlandse geschiedenis zowel vrijheidsidealen en economische ontwikkeling als koloniale uitbuiting omvat. Het Plakkaat van Verlatinghe uit 1581 verkondigde dat onderdanen niet slaafs aan hun vorst hoeven te gehoorzamen, terwijl dezelfde Republiek later honderdduizenden Afrikanen naar Amerika vervoerde. Herstel betekent volgens de auteurs dat de vrijheid en gelijkwaardigheid uit die idealen ook volwaardig moeten gelden voor de nazaten van mensen die daarvan werden uitgesloten. Het debat is daarmee volgens hen pas afgerond wanneer vooraf duidelijk is vastgesteld wat herstel moet bereiken en dat doel daadwerkelijk is gehaald.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside: Johan Derksen over Cornald Maas: 'Ik ben dolblij dat die halve zachte opgesodemieterd is!'