Werkgever schakelde na ziekmelding geen bedrijfsarts in en roosterde oproepkracht niet meer in: nu moet hij €5.036,64 bruto betalen

donderdag, 22 oktober 2026 (11:37) - Dagelijkse Standaard

In dit artikel:

Een werkgever mag een zieke oproepkracht niet zomaar van het rooster halen om loonbetaling te ontlopen. Dat blijkt uit een beschikking van de kantonrechter in Den Haag van 13 oktober 2026. De werkgever moet een flexwerkster €5.036,64 bruto betalen over mei tot en met augustus, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50 procent en €1.705 aan proceskosten.

De vrouw werkte sinds 1 maart 2026 als algemeen medewerker op basis van een min-maxcontract van minimaal 3 en maximaal 40 uur per week. Haar uurloon bedroeg eerst €14,80 en vanaf juli €14,99. Omdat zo’n contract juridisch een oproepovereenkomst is, heeft zij bij ziekte recht op loon over de vermoedelijke omvang van haar werk.

Na klachten aan haar elleboog en hand, die volgens haar door een bedrijfsongeval in april waren ontstaan, meldde zij zich op 5 mei ziek. Drie dagen later werd ze uit de WhatsApp-groep van het werk verwijderd. Daarna werd ze niet meer opgeroepen en ontving ze geen loon. De werkgever stelde dat hij haar niet had ontslagen, maar alleen niet had ingepland omdat hij haar ziekte niet geloofde. Ook betwistte hij haar urenopgave en wees hij erop dat ze geen UWV-deskundigenoordeel had overgelegd.

Normaal kan een loonvordering tijdens ziekte zonder zo’n verklaring worden afgewezen. In deze zaak maakte de rechter echter een uitzondering. De werkgever had na de ziekmelding geen bedrijfsarts ingeschakeld, hoewel hij daartoe verplicht was. Een UWV-oordeel is bedoeld als second opinion; zonder beoordeling door een bedrijfsarts kon de werkneemster redelijkerwijs niet zo’n oordeel aanleveren. Haar klachten werden bovendien ondersteund door medische informatie van een orthopedisch chirurg en een radioloog. De werkgever had zijn bezwaren ook pas laat en onvoldoende onderbouwd naar voren gebracht.

Voor de berekening nam de rechter het gemiddelde van de eerste drie maanden: 136 gewerkte uren in maart, 116 in april en geen uren in mei, gemiddeld 84 uur per maand. Over vier maanden kwam dat neer op 336 uur. Omdat haar uurloon gelijk was aan het minimumloon voor werknemers van 21 jaar en ouder, kreeg zij in het eerste ziektejaar het volledige bedrag van €14,99 per uur. Dat leidde tot €5.036,64 bruto. Daarnaast moet de werkgever nog een bruto-equivalent van €1.400,85 netto betalen wegens te lage betalingen over maart en april, waarbij een eerder voorschot van €1.776 bruto wordt verrekend.

De uitspraak onderstreept dat ook oproepkrachten, nulurenkrachten en werknemers met een min-maxcontract bescherming genieten bij ziekte. Werknemers doen er goed aan een ziekmelding schriftelijk te doen en urenopgaven en loonstroken te bewaren. Na minstens drie maanden werk geldt het gemiddelde van de voorafgaande drie maanden doorgaans als uitgangspunt. Als een bedrijfsarts wel is ingeschakeld en er discussie blijft over de arbeidsongeschiktheid, kan een werknemer bij UWV een deskundigenoordeel aanvragen. Een mogelijk ontslag moet binnen twee maanden worden aangevochten.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside: Vandaag Inside-tafel ziet John de Bever werelddoelpunt maken: 'Hij legt 'm er wel lekker in!'