Werkenden tussen 40 en 55 jaar, opgelet: loop geen pensioengeld mis bij ontslag
In dit artikel:
Op 1 januari 2026 schakelen ruim 9,5 miljoen pensioenen over naar het nieuwe Nederlandse pensioenstelsel — meer dan de helft van iedereen met een pensioenregeling. De belangrijkste verandering is het afschaffen van de oude doorsneesystematiek: waar iedereen vroeger voor elke ingelegde euro dezelfde pensioenopbouw kreeg, levert die euro in het nieuwe stelsel relatief meer op voor jongere deelnemers omdat hun geld langer kan groeien. Dat creëert echter een financieel nadeel voor veel werknemers rond de leeftijd van ongeveer 40–55 jaar; zij missen een deel van het rendement dat ze eerder hadden verwacht.
Dat tekort moet door het pensioenfonds worden gecompenseerd bij de overgang (het zogenoemde invaren), maar alleen als het fonds daar voldoende reserves voor heeft. Pensioendeelnemers krijgen die compensatie op twee manieren: óf als een eenmalige toevoeging aan het persoonlijke pensioenpotje, óf via een tijdelijke opslag op de premie (een hoger premiepercentage voor een aantal jaren). Welke route wordt gekozen, beslist vaak het samenwerkingsverband van werkgevers en vakbonden voor dat fonds.
Een cruciale voorwaarde voor het ontvangen van compensatie is dat je op de dag van de overgang nog in loondienst bent bij het fonds. Wie vóór de transitiedatum vertrekt — door ontslag of eigen vertrek — loopt het recht op compensatie mis. Dat kan flinke financiële gevolgen hebben; bedrijven als ABN AMRO en de publieke omroep hebben bijvoorbeeld ontslagen in 2026, terwijl hun pensioenfondsen pas in 2027 overschakelen. Bij ontslag kan het dus verstandig zijn in de vaststellingsovereenkomst af te spreken dat het dienstverband eindigt ná de transitiedatum, of periodiek vrijwillig doorbetalen (maar dat is vaak duur).
Wie in het jaar vóór overgang minder gaat werken, krijgt ook minder compensatie omdat bij de berekening naar de deeltijdfactor wordt gekeken. De hoogte van compensatie verschilt sterk per persoon: een voorbeeld van een 50‑jarige deeltijdftewerkneemster laat een eenmalige compensatie van enkele duizenden euro’s zien, wat vanaf AOW-leeftijd neerkomt op enkele tientjes bruto per maand; voor anderen kunnen bedragen veel hoger uitpakken.
De overstap is ingevoerd omdat het oude stelsel niet meer past bij moderne arbeidsloopbanen en de groei van zelfstandigen en omdat de oude rekenrente-eisen pensioenfondsen noodzaakten grote buffers aan te houden, waardoor indexatie vaak uitbleef. In het nieuwe stelsel beweegt pensioen sterker mee met beleggingsresultaten — sneller stijgen, maar ook sneller dalen — en zijn minder grote buffers nodig. De eerste fondsen zijn al zonder grote problemen overgegaan; uiterlijk 1 januari 2028 moeten alle regelingen zijn omgezet. De Nederlandsche Bank houdt toezicht op het zorgvuldige verloop van die eenmalige overgang.