Wensnatuur leidt tot dierenleed

zondag, 25 januari 2026 (11:03) - De Andere Krant

In dit artikel:

In de Oostvaardersplassen (tussen Almere en Lelystad) speelt zich ook deze winter hetzelfde schrijnende probleem af: Konikpaarden, Heckrunderen en edelherten verzwakken en sterven door voedselgebrek, versterkt door sneeuw en ijs en door felle concurrentie van duizenden ganzen die het gras wegvreten. Omdat het gebied is omheind kunnen de dieren niet wegtrekken; veel gevallen van uitgemergelde of dode dieren worden door waarnemers gerapporteerd.

Het gebied van circa 5.600 hectare werd in de jaren ’80 ingericht als proef voor ‘vrije natuur’, geïnspireerd door ecoloog Frans Vera. Grote grazers werden uitgezet en men liet natuurlijke processen het werk doen, met zo weinig mogelijk menselijk ingrijpen. Die opzet is al decennia omstreden: critici zeggen dat het experiment faalt en dat het lijden van dieren onaanvaardbaar is. De Raad voor Dierenaangelegenheden waarschuwde hier al eind jaren ’90 voor, en ook grootschalig afschot bood volgens tegenstanders geen structurele oplossing.

Politicus Eric Kemperman heeft de winteromstandigheden aangegrepen om opnieuw aandacht te vragen en Kamervragen te stellen aan staatssecretaris Jean Rummenie (BBB). Hij noemt het project een voorbeeld van ideologische rewilding en verwijst naar een ‘wensnatuur’-visie die geen recht doet aan de werkelijkheid van een dichtbevolkt cultuurlandschap. Kemperman vraagt in zijn vragen onder meer of de grote grazers juridisch als wilde dieren zijn aangemerkt of juist onder de volledige zorgplicht vallen, of die kwalificatie handhaving door de NVWA belemmert en wie uiteindelijk bestuurlijk verantwoordelijk is: Staatsbosbeheer, de provincie Flevoland of het Rijk.

Tegenstanders zoals Annemieke van Straaten (Stichting Annemieke) voeren soortgelijke kritiek aan. Zij meldt meerdere keren uitgehongerde en dode paarden te hebben aangetroffen en wijst erop dat het merendeel van het natuurgebied uit water bestaat (ongeveer 3.600 hectare), maar toch bij de oppervlakte wordt meegerekend zodat de grazers de status van ‘wild’ krijgen. Die status betekent in de praktijk dat verzorging vaak niet is toegestaan; zieke dieren worden volgens haar soms alleen afgeschoten. Van Straaten bekritiseert ook het huidige beheerbeleid (herzien in 2018 onder leiding van Pieter van Geel), dat mikt op een populatie rond 1.100 grazers en afschot inzet bij overschrijding, terwijl duizenden ganzen in hetzelfde beheer nauwelijks worden meegewogen en zo het voedselaanbod verder verminderen.

Kemperman stelt dat wanneer dieren bewust zijn uitgezet en opgesloten achter een hek, de juridische vergelijking met gehouden dieren gerechtvaardigd is en dat herdefiniëring directe gevolgen zou hebben: een volledige zorgplicht zou ingrijpen verplichten bij dierenleed en het ‘natuurlijke proces’ niet langer als alibi dienen. Hij wijst ook op belangenverstrengeling rond rewilding — adviesbureaus, stichtingen en onderzoeksprogramma’s zouden baat hebben bij voortzetting van het beleid — wat beleidswijziging bemoeilijkt.

Staatsbosbeheer wilde niet inhoudelijk reageren op vragen van de krant en verwees naar informatie op de eigen website. Of Kempermans Kamervragen leiden tot aanpassing van de juridische status of het beheer, is onzeker; maar de zaak bracht het dossier opnieuw hoog op de politieke agenda en legt de vraag op tafel wie werkelijk de plicht heeft dierenwelzijn in omheinde natuurreservaten te garanderen.