Welkom in het Pyroceen: 'De ijstijd heeft plaatsgemaakt voor een vuurtijd'
In dit artikel:
De steeds grotere bosbranden in Europa zijn volgens milieuhistoricus Stephen J. Pyne geen tijdelijk verschijnsel, maar onderdeel van een nieuw tijdperk dat hij het ‘Pyroceen’ noemt: een vuurtijd waarin menselijke activiteiten de natuurlijke brand- en klimaatcycli ingrijpend veranderen. Pyne, emeritus hoogleraar milieugeschiedenis aan Arizona State University en voormalig brandweerman, publiceerde hierover deze zomer het boek *Undying Fire*.
Europa kende van oudsher veel vuur, maar dat werd vooral door mensen gebruikt in de landbouw. Het landschap bestond uit kleine akkers, boomgaarden en bossen, waardoor branden meestal begrensd bleven. Dat veranderde in de negentiende eeuw. Veenweides werden drooggelegd en afwisselende landschappen maakten plaats voor uniforme naaldbossen. De poging om de natuur met wetenschappelijke bosbouw volledig onder controle te krijgen, leverde volgens Pyne juist een kurkdroge en brandgevaarlijke omgeving op. De branden in de Franse Landes laten dat volgens hem duidelijk zien.
Klimaatverandering werkt daarbij als de lont, maar niet als de enige oorzaak. Ook Nederland en België krijgen inmiddels te maken met natuurbranden die eerder vooral met Californië, Canada of Australië werden geassocieerd. Overheden moeten daarom nadenken over extra blusmaterieel, brandbestrijding vanuit de lucht en preventieve branden.
Pyne gebruikt het begrip Pyroceen om aan te geven dat vuur tegelijk oorzaak en gevolg is van grootschalige veranderingen op aarde. Door branden en vooral de verbranding van fossiele brandstoffen ontstaan klimaatopwarming, natuurverlies en het uitsterven van soorten; die veranderingen maken landschappen vervolgens weer vatbaarder voor vuur. De term is geen officiële geologische tijdsaanduiding. Geologen kozen in 2018 voor het Meghalayen als huidige tijdvak, terwijl discussies over een ‘tijdperk van de mens’, het Antropoceen, geen eenduidig beginpunt opleverden.
Pyne laat het Pyroceen liever al ongeveer elfduizend jaar geleden beginnen, toen mensen na het einde van de laatste ijstijd vuur gebruikten om landschappen te veranderen. Door graslanden geregeld af te branden konden zij bosgroei tegengaan. De meeste wetenschappers leggen het begin van het Antropoceen veel later, bij de opkomst van fossiele brandstoffen tijdens de industriële revolutie. Historicus Sunil Amrith benadrukt bovendien de enorme versnelling van ontbossing en natuurvernietiging sinds de tweede helft van de twintigste eeuw. Fossiele brandstoffen maakten grootschalige houtkap, mijnbouw en infrastructuur in tropische regenwouden mogelijk.
Het verschil met vroeger is volgens Pyne vooral de schaal. Traditioneel vuur werd beperkt door seizoenen en landschappen; kolen, olie en gas kunnen overal en op elk moment worden verbrand. Daardoor is de ‘vuurtijd’ in een stroomversnelling geraakt. Pyne zag de gevolgen recent opnieuw toen een boswachterspost bij de Grand Canyon, waar hij ooit werkte, inclusief gebouwen en zijn voormalige trouwlocatie door brand werd verwoest.
Europa moet volgens hem niet proberen vuur volledig uit het landschap te bannen, maar leren ermee te leven. Dat betekent landschappen opdelen in kleinere gebieden, monoculturen verminderen, gecontroleerde begrazing inzetten en mogelijk preventief branden. Ook kunnen Europese samenlevingen lessen trekken uit het historische landgebruik rond de Middellandse Zee. Zolang zulke aanpassingen uitblijven, zullen grote branden volgens Pyne terugkeren, ook als een volgend brandseizoen minder extreem lijkt.
Vandaag Inside: Wierd Duk over schietpartij in Overasselt: 'Nederland is gewoon een narcostaat'