Welke rabbijn kiest voor de rode lijn?
In dit artikel:
Waarom liepen in Nederland bekende rabbijnen niet mee in de grote ‘rode lijn’-demonstratie in Amsterdam, terwijl vele tienduizenden — onder wie ongeveer duizend kritische Joden — wél aanwezig waren? De auteur vraagt zich dat af en wijst op rabbijnen als Awraham Soetendorp en Lody van de Kamp, die staan voor humaniteit en verbinding, maar vooralsnog niet prominent meededen aan deze publieke grensstelling tegen geweld.
De tekst plaatst die vraag in een bredere historische context: zionisme en jodendom zijn niet automatisch identiek. Er bestonden diverse vormen van zionisme — van cultureel denken zoals bij Hannah Arendt tot het agressievere nationalisme van figuren als Bezalel Smotrich — en van meet af aan gingen zionistische aspiraties gepaard met koloniale dynamieken. De publicatie Der Judenstaat (1897) van Theodor Herzl bevatte volgens de schrijver al ideeën over het met geweld verdrijven van de inheemse Palestijnse bevolking. De Britse politiek sinds 1917 en de stichting van Israël in 1948 hebben, zo stelt de auteur, een koloniaal fundament gelegd waarvan de effecten zichtbaar zijn op de Westelijke Jordaanoever, in Gaza en in de regio.
Tegen die achtergrond maakt de auteur duidelijk dat het trekken van een ‘rode lijn’ — bedoeld als grens tegen etnische zuiveringen en grootschalig geweld — geen antisemitische daad is, maar een handeling van humaniteit en verdediging van mensenrechten. Politieke leiders gebruikten de term toen Israël werd aangesproken om te stoppen met etnische zuivering bij Rafah eind 2023; veel demonstranten zagen het als het stellen van een morele grens. Dat sommige rabbijnen terughoudendheid of kritiek toonden, valt daarom moeilijk te begrijpen voor mensen die met eigen ogen de situatie volgen.
Concreet veroorzaakte een Facebookpost van rabbijn Lody van de Kamp — “Mokum is Mokum niet meer” — ergernis bij de auteur, die zelf meeliep. Ook jonge rabbijn Simon Bornstein wordt genoemd omdat hij betoogde dat het trekken van zo’n rode lijn polarisatie zou bevorderen; de schrijver meent dat zulke uitspraken onnodige angst en verdeeldheid zaaien binnen de Joodse gemeenschap. De auteur pleit: dialoog is essentieel, maar in tijden van genocide mogen prioriteiten anders liggen; geweldloosheid en mensenrechten moeten voorop staan.
Tegelijk wijst de tekst op hoopgevende signalen: Rabbis for Human Rights in Israël voeren burgerlijke ongehoorzaamheid om grenzen te stellen, en wereldwijd ondertekenden afgelopen zomer ongeveer 1.200 rabbijnen een oproep aan Netanyahu om onschuldige levens te sparen en uithongering niet als wapen te gebruiken. Onder hen is de Nederlandse rabbijn Edward van Voolen, die concreet zegt: "Mijn waarden, dat zijn Joodse waarden... dat alle mensen in Gods evenbeeld geschapen zijn" — een uitspraak die de auteur ziet als voorbeeld dat de ethiek van de Thora nog leeft en als argument dat rabbijnen vóór het trekken van menselijke grenzen zouden moeten kiezen.
De slotvraag van de tekst luidt of rabbijnen uiteindelijk trouw zullen zijn aan die Torah-ethiek of aan het agressieve nationalisme dat sommige vroeg-zionistische ideeën inspireerde. De schrijver hoopt dat meer rabbijnen publiekelijk kiezen voor bescherming, menselijkheid en het trekken van duidelijke morele grenzen.