We zijn het extreemste klimaatscenario niet kwijt, we hebben slechts één theoretische route ernaartoe beperkt
In dit artikel:
Begin deze maand verschenen berichten dat het IPCC het meest extreme emissiescenario (RCP8.5) zou hebben geschrapt, wat in media en bij velen voor opluchting zorgde. Die geruststelling is volgens klimaatonderzoekers te vroeg: de wijziging waar het om gaat komt uit een voorstel van het CMIP‑project (onder WCRP) voor nieuwe emissiescenario’s — en dat betreft alleen de eerste schakel in de keten van menselijke uitstoot naar uiteindelijke klimaatgevolgen.
Die keten loopt van emissies → atmosferische concentraties → stralingsforcering → opwarming → gevolgen. Het CMIP‑artikel zegt vooral dat het oude, extreem hoge emissiepad minder waarschijnlijk is geworden. Maar tussen die schakels treden belangrijke terugkoppelingen en onzekerheden op die het risico op sterke opwarming in stand houden. Zo nemen natuurlijke koolstofputten (bossen, bodems, oceanen) bij opwarming minder CO2 op; permafrostontdooing en Arctische bosbranden dragen al nu extra koolstof bij en eten een flink deel van het resterende koolstofbudget voor 1,5 °C op.
Recente studies tonen bovendien dat de totale stralingsforcering — als alle broeikasgassen worden meegeteld — momenteel het oude RCP8.5‑pad volgt, en satellietmetingen laten steeds minder ruimte voor een lage klimaatgevoeligheid. Met andere woorden: er komt meer energie in het klimaat “bovenop” en dezelfde forcering levert waarschijnlijk meer opwarming op dan eerder werd gedacht. Daardoor kan sterke opwarming ook optreden bij lagere, realistischer geachte emissiepaden.
De verwachte gevolgen zijn bovendien ruimer en ernstiger dan vaak gecommuniceerd. Onderzoek naar extreem weer laat zien dat bij 2 °C opwarming de ergste scenario’s voor droogte, zware neerslag en brandgevaar vergelijkbaar zijn met gemiddelde gevolgen die vroeger aan 3–4 °C werden toegeschreven. Ook zijn de drempels voor kritieke kantelpunten — zoals smelten van de Groenlandse en West‑Antarctische ijskappen en het afsterven van koraalriffen — naar beneden bijgesteld; sommige worden nu rond 1,5 °C als mogelijk beschouwd.
Twee conclusies volgen: we hebben minder speelruimte dan eerder gedacht, maar dat betekent niet dat acties zinloos zijn. Elke schakel in de opwarmingsketen is ook een interventiepunt: emissiereductie, bescherming en herstel van carbon sinks en adaptatie kunnen groter effect hebben dan verwacht. Het verdwijnen van RCP8.5 als één theoretische route betekent niet dat een ‘worst case’ is afgewend — de uitkomst hangt sterk af van wat we nu doen. Kortom: de mediageruststelling misplaatst; het risico op aanzienlijke opwarming en heftige gevolgen blijft reëel, en snel ingrijpen blijft cruciaal.