We zijn het extreemste klimaatscenario niet kwijt, we hebben slechts één theoretische route ernaartoe beperkt | opinie

maandag, 25 mei 2026 (07:13) - Dagblad van het Noorden

In dit artikel:

Begin deze maand maakten veel media op dat het IPCC‑gerelateerde CMIP‑project het hoogste emissiescenario (RCP8.5) heeft weggestreept. Meteoroloog Gerrit Hiemstra waarschuwt dat die opluchting misplaatst is: het schrappen van dat ene, extreem hoge emissiepad betekent niet dat een sterk opwarmende wereld van de baan is.

Het nieuws waar Hiemstra op reageert kwam voort uit een voorstel voor een nieuw pakket emissiescenario’s van het World Climate Research Programme (WCRP/CMIP). Die scenario’s vormen alleen de eerste schakel in de keten die leidt van menselijke uitstoot naar klimaatgevolgen: emissies → concentraties van broeikasgassen → stralingsforcering → temperatuurstijging (klimaatgevoeligheid) → maatschappelijke en ecologische gevolgen. Elke schakel bevat onzekerheid, en die onzekerheden werken momenteel niet in ons voordeel.

Belangrijke punten uit Hiemstra’s betoog:
- Het CMIP‑artikel zegt vooral dat het oude, extreem hoge emissiescenario onwaarschijnlijker is geworden — een logische technische update — maar dat is iets anders dan zeggen dat het risico op grote opwarming is verdwenen. Veel media en critici trokken die te makkelijke conclusie wél.
- Terugkoppelingen in de koolstofcyclus verminderen ons voordeel van lagere emissies. Naarmate het warmer wordt, nemen oceanen, bodems en bossen minder CO2 op; processen zoals permafrost‑ontdooiing en arctische bosbranden dragen al extra CO2 bij. Zulke feedbacks verbruiken nu al een flink deel van het resterende koolstofbudget voor het halen van 1,5 °C.
- Als men alle broeikasgassen meetelt, volgt de toename van de stralingsforcering nu nog steeds het oude, hoge emissiepad. Met andere woorden: aan de rand van de atmosfeer komt er meer extra energie binnen dan in eerdere, lagere scenario’s werd verwacht.
- Satellietmetingen en andere observaties maken een lage klimaatgevoeligheid — oftewel: weinig temperatuurreactie op een gegeven forcering — steeds minder aannemelijk. Dat betekent dat dezelfde forcering waarschijnlijk meer opwarming zal geven dan sommige eerdere schattingen voorspelden.
- De gevolgen voor weerextremen zijn erger dan vaak gecommuniceerd: bij 2 °C opwarming kunnen de zwaarste scenario’s voor droogte, extreme neerslag en brandgevaar overeenkomen met wat men gemiddeld bij 3–4 °C verwachtte. Ook zijn kritieke drempels voor zogenaamde tipping points (zoals het smelten van de Groenlandse ijskap, instabiliteit van de West‑Antarctische ijskap en massale koraalsterfte) naar lagere temperatuurstijgingen bijgesteld — soms rond 1,5 °C.

Hiemstra draait het begrip “onwaarschijnlijk” om: het is goed dat RCP8.5 minder waarschijnlijk lijkt, maar het lijkt ook steeds minder waarschijnlijk dat we in een wereld terechtkomen die veilig is bij 2 °C opwarming. Dat heeft twee kanten: enerzijds is er minder speling om fouten te maken; anderzijds betekent het ook dat elke interventie in de keten relatief effectiever is dan gedacht. Emissiereducties, bescherming en herstel van natuurlijke koolstofopslag (carbon sinks) en versterking van maatschappelijke veerkracht blijven dus cruciaal en kunnen veel verschil maken.

De kernboodschap: we hebben niet één extreem pad definitief uitgeschakeld maar wel één theoretische route beperkt. Veel andere paden blijven mogelijk en de gecombineerde feedbacks en hogere forcering maken sterke opwarming nog steeds reëel. Wat er gebeurt, hangt sterk af van wat we nú doen: sneller en breder mitigeren en ons beter voorbereiden kan de echte impact nog substantieel verminderen.