We dekoloniseren alles, behalve China

donderdag, 28 mei 2026 (14:54) - Joop

In dit artikel:

Koen van der Lijn en Fresco Sam‑Sin, beiden sinologen, wijzen erop dat Nederlandse geschiedenismethodes voor het eindexamen een sterk vertekend beeld van negentiende‑eeuws China presenteren. Hoewel Nederland zich op andere fronten bezighoudt met dekolonisatie, ontbreekt er volgens hen een vergelijkbare correctie wanneer het om China gaat: het imperialistische aspect en de rol van Nederland zelf zijn vrijwel onzichtbaar in lesmateriaal.

Het examenonderdeel “China 1842–2001” staat centraal. Uitgevers krijgen vrij spel om de leerstof in te vullen en kiezen veelal voor een beeld van China als een isolerend, star en Confuciaans geleide samenleving die pas door Europese machten “wakker” wordt geschud na de Opiumoorlog en de ongelijke verdragen. Volgens de auteurs reproduceren veel methodes klassieke oriëntalistische stereotypen: Chinezen zouden weinig belangstelling voor buitenland hebben, formeel en rigide denken, en de Qing‑dynastie wordt vaak als continuïteit van een homogeen keizerrijk voorgesteld — terwijl de Qing zelf een Manchu‑macht waren die sinds eeuwen expansie, marktbeleid en dwang toepasten.

De schrijvers bekritiseren concrete keuzes van uitgevers die historische nuances weglaten, zoals het verkeerd voorstellen van de term Zhongguo (Rijk van het Midden) en het negeren van intensieve regionale handel en conflictrelaties vóór 1842. Even problematisch is de afwezigheid van Nederland in de verhaalvoering. De Nederlandse sinologie ontstond immers binnen een koloniale context: taalkundigen werden onder meer opgeleid vanwege de Chinese gemeenschappen in Nederlands‑Indië, en sommigen waren betrokken bij de grootschalige werving van Chinese contractarbeiders voor de mijnen en plantages in Nederlands‑Indië en Suriname — de zogeheten “Biggenhandel” — waarbij misstanden en uitbuiting veelvuldig voorkwamen.

Nu loopt een herziening van het examenprogramma, een kans om deze eenzijdigheden te herstellen. De auteurs pleiten voor een lesprogramma dat afstand neemt van eurocentrische clichés, de dynamiek en diversiteit van de Qing‑periode erkent en expliciet ruimte maakt voor de Nederlandse koloniale rol en de ervaringen van Chinese contractarbeiders — inclusief verzet en rechtsongelijkheden, zoals die in gouvernementsjournalen terug te vinden zijn.

Kortom: van der Lijn en Sam‑Sin roepen aan wie het curriculum vormgeeft op om negentiende‑eeuws China met meer historische accuratesse en zonder oriëntalistische vooroordelen te behandelen, en om de Nederlandse verantwoordelijkheid in dat verleden zichtbaar te maken.