Wat we kunnen leren van deze reclame voor een Marlboro-jasje
In dit artikel:
Aanstaande donderdag stemt de Amsterdamse gemeenteraad over een voorstel om reclame voor vlees en fossiele brandstoffen in de publieke ruimte te verbieden. Vergelijkbare maatregelen zijn al ingevoerd in onder meer Den Haag en Haarlem. De voorzitter van VIA — de branchevereniging van adverteerders, reclamemakers en exploitanten — zei in een tv-uitzending niet tegen een verbod te zijn, maar eist eerst een landelijke, eenduidige omschrijving van wat ‘fossiele reclame’ precies omvat.
Ties Joosten trekt de parallel met de geschiedenis van tabaksreclame: merken bleken vindingrijk in het omzeilen van beperkingen. Fabrikanten schakelden bijvoorbeeld over op alleen merknamen, bedachten bijna‑merkachtige sponsornaamgeving in de Formule 1, betaalden festivals en organiseerden opzichtige verkooppunten bij supermarkten en tankstations. Zelfs kledinglijnen met merklogo’s werden ingezet om de zichtbaarheid van sigaretten te behouden. Die voorbeelden illustreren dat de afbakening van wat wél en niet onder een verbod valt voortdurend ter discussie staat.
De kernboodschap is dat regels tegen bepaalde reclame-uitingen zelden af zijn met één strakke definitie; het is een doorlopend maatschappelijk en juridisch debat over wat acceptabel is. Of het nu gaat om autofabrikanten die elektrische modellen promoten of om voedingsproducten waarvan de productieketen ook klimaatschade kent, telkens moet opnieuw worden bepaald waar de grens ligt. Het Amsterdamse voorstel beschouwt Joosten dan ook niet als eindpunt, maar als een begin van die discussie.