Wat was de reden dat de Surinaamse autoriteiten en de Nederlandse overheid samenspanden?

zaterdag, 15 augustus 2026 (10:37) - Joop

In dit artikel:

De auteur schrijft dat hij op 1 juli, tijdens Keti Koti, een brief stuurde aan de Surinaamse ambassade in Den Haag. Daarin beschuldigde hij een medewerker van de kanselarij in Amsterdam ervan onjuiste informatie te hebben verstrekt aan onder meer de IND en de voormalige Binnenlandse Veiligheidsdienst. Volgens hem vertraagde dit de beƫindiging van zijn staatloosheid en bood het de Nederlandse autoriteiten een argument om hem, hoewel hij in Nederland is geboren, uit te zetten. Hij kreeg zijn Nederlandse nationaliteit in 2004 via het optierecht terug.

De persoonlijke kwestie gebruikt de auteur als aanleiding voor een bredere aanklacht tegen de samenwerking tussen Surinaamse autoriteiten en Nederland. Hij stelt dat medewerkers die hun positie aan het regime van Desi Bouterse te danken hadden, Nederlandse instanties hielpen, terwijl dat regime Nederland en zijn tegenstanders juist als vijand afschilderde. Volgens de auteur zijn ook andere mensen slachtoffer geworden van vergelijkbare informatie-uitwisseling, maar blijven zij uit angst voor repercussies anoniem.

Vervolgens beschrijft hij de volgens hem dubbelzinnige Nederlandse houding tegenover het militaire bewind dat in 1980 aan de macht kwam. Nederlandse media berichtten al vroeg over de verslechterende mensenrechtensituatie, maar Den Haag zou vooral prioriteit hebben gegeven aan het bestrijden van communistische invloed en het beschermen van Nederlandse belangen. De auteur verwijst naar de dood van Fred Ormskerk, die vermoedelijk door een lid van de Nationale Militaire Raad werd vermoord. Volgens familieleden hield het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken een onafhankelijke autopsie tegen. Ook een andere Nederlander zou na beschuldigingen van samenzwering zwaar zijn gemarteld; onderzoek bleef volgens de auteur uit.

Na een oproep op Facebook zouden zich meer mensen hebben gemeld met verhalen over vermissingen, standrechtelijke executies en verdwijningen. Bij mensenrechtenorganisatie Moi Wanna zouden hierover dossiers liggen, maar de Surinaamse autoriteiten zouden geen onderzoek instellen. De auteur stelt dat vroegtijdig ingrijpen door Nederland levens had kunnen redden. Hij verwijt de regering-Van Agt dat zij de relatie met Bouterse belangrijker vond dan de bescherming van burgers.

In de jaren negentig zou Nederland volgens de auteur alsnog hebben geprobeerd Bouterse uit Suriname te laten vertrekken. Een bemiddelingspoging van Frits Hirschland mislukte, onder meer omdat Bouterse-getrouwe Borger Breeveld een ontmoeting in Paramaribo wilde, waar Hirschland naar eigen zeggen niet voor zijn veiligheid kon instaan. Bouterse bleef daardoor een centrale machtsfiguur in Suriname.

In zijn conclusie stelt de auteur dat zowel Nederland als Suriname verantwoordelijk waren voor het lot van tegenstanders en vluchtelingen. Nederland zou uit koloniale en geopolitieke belangen hebben weggekeken, terwijl het Surinaamse regime een anti-Nederlandse campagne voerde. Daardoor zouden duizenden mensen zijn gedood of gevlucht en zouden asielaanvragen zijn afgewezen of mensen jarenlang zijn ondergedoken. Vooral studenten, journalisten, activisten en militairen die democratisch herstel nastreefden, zouden hiervan de dupe zijn geworden.

BEKIJK OOK:

De Oranjezomer: Noa Vahle zet vraagtekens bij transfer Mika Godts naar Paris Saint-Germain