Wat u ook verwacht van dit kabinet, laat het vooral niet te veel zijn
In dit artikel:
Een nieuw minderheidskabinet van D66, CDA en VVD presenteert zich met het akkoord ‘Aan de slag’, maar de auteur ziet het kabinet vooral als zwak, onbetrouwbaar en weinig daadkrachtig. De drie middenpartijen hebben geen ruime Kamermeerderheid en veel van hun voorstellen zijn omschreven als suggesties zonder gegarandeerde steun. De oppositie is gefragmenteerd en niet geneigd om deze coalitie constant te helpen; dat maakt besturen volgens de schrijver al bij voorbaat problematisch.
Centraal in het akkoord staat een forse verhoging van de defensiebegroting: 19 miljard euro extra. Dat geld zou grotendeels worden gehaald uit zorg en sociale zekerheid, terwijl de migratieproblematiek ongemoeid blijft. De auteur verbindt die defensieve koers nadrukkelijk met de retoriek van Mark Rutte (nu gepresenteerd als NAVO-opinieveling in het stuk): Rutte zou al eerder hebben gepleit voor hogere NAVO-uitgaven en het kabinet kopieert die noodkreet. Tegelijkertijd valt twijfel of de miljarden daadwerkelijk in materiële bewapening terechtkomen; volgens de schrijver zullen veel middelen naar dure adviesbureaus en vage digitale/‘hybride’ projecten vloeien, niet naar tastbare tanks of vliegdekschepen. Ook voorziet men verdere Europese militaire bureaucratische integratie.
De tekst maakt bovendien van defensie een breder politiek argument: migratie en islamisering worden door de auteur als grotere binnenlandse bedreigingen geschetst dan Rusland of China. Kritiek is er op het politieke verleden: Rutte wordt neergezet als iemand die eerder crises wegwuifde maar nu alarm slaat, waardoor het nieuwe kabinet zijn beleidslijn voortzet — kortom een “Rutte-doctrine” die nog steeds dominant zou zijn. De nieuwe coalitie wordt dan ook ironisch als “Rutte VI” aangeduid: niet omdat Rutte formeel terugkeert, maar omdat zijn agenda en retoriek voortleven.
Wat het coalitieakkoord zelf betreft, wordt het taalgebruik scherp bekritiseerd: het leest als ambtelijke marketing met weinig echte ambitie of overtuiging. Veel zinnen lijken verantwoordelijkheid af te schuiven op de samenleving (“reken vooral niet te veel op ons”), terwijl de overheid in de praktijk meer regels en taken naar zich toe heeft getrokken. Ook wijst de schrijver op juridisering van beleid en een cultuur van afstandelijke bestuursstijl die de democratie zou verzwakken.
De auteur keert zich tegen enkele passage in het akkoord die polariserend worden genoemd — zoals uitspraken over sociale media en ‘schelden op X’ — en betwijfelt of de overheid werkelijk een bondgenoot is van alle ‘positieve bijdragers’, gezien slachtoffers van toeslagenaffaires en ondernemers die worstelen met regels en belastingen. Een concreet actueel voorbeeld haalt de auteur aan: een agent die een confrontatie met een moslima had en vervolgens door zijn werkgever afstand zag nemen, wat volgens de columnist illustreert dat gevoelige onderwerpen rond integratie en islam niet worden aangepakt.
De voorspelling is neerslachtig: het kabinet zal naar verwachting weinig wezenlijks ondernemen, veel moeten bedelen bij de Kamer en daarmee een sleetse status quo in stand houden. Die stabiliteit wordt gepresenteerd als dubbelzinnig: enerzijds voorkomt het directe ontwrichting, anderzijds laat het maatschappelijke problemen verergeren doordat er geen stevig leiderschap is. De coalitie zou vooral goed zijn in het verpakken van beleid door ambtenaren en woordvoerders, terwijl onvoorziene neveneffecten buiten beeld blijven.
Als illustratie van het ongemak rond de nieuwe leiders verwijst de auteur naar een satirische clip van Lucky TV waarin de drie partijleiders bespottelijk ongemakkelijk overkomen; volgens de schrijver symboliseert dat het gebrek aan geloofwaardigheid en spontaniteit dat uit hun optreden spreekt.
Kort samengevat: het akkoord en het minderheidskabinet wekken volgens de columnist weinig vertrouwen. Het beleid volgt vooral de lijnen van het recente politieke verleden, zet fors in op defensie maar biedt weinig concrete garanties over uitvoering, en zet de samenleving op een afstand terwijl urgente kwesties rond migratie, integratie en bureaucratie onderbelicht blijven. De verwachting is dat er vier jaar van beperkt besturen kunnen volgen, met weinig echte vernieuwing en weinig reden tot optimisme.