Wat Trump doet met Venezuela en Groenland, deed Kennedy al met Nieuw-Guinea
In dit artikel:
Donald Trump zegt hardop wat eerdere Amerikaanse presidenten vaak verhulden: toegang tot grondstoffen en strategische controle zijn kernbelangen, geen bijzaak. Maar die openhartigheid is vooral een toonverschil; de praktijk van het veiligstellen van grondstoffen en invloed gaat decennialang terug. Een illustratief en veelal vergeten voorbeeld is hoe Nederland in de jaren ’60 Nieuw-Guinea verloor.
Na de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog (1945–1949) bleef West-Nieuw-Guinea onder Nederlands bestuur, onder het voorwendsel dat de Papoea’s nog niet klaar zouden zijn voor zelfbestuur. President Soekarno van Indonesië eiste het eiland op. Tussen 1961 en 1963 zette de VS — onder president John F. Kennedy — Nederland zo zwaar onder druk dat het zich genoodzaakt zag af te treden. Voor Washington ging het niet om Papoea-rechten, maar om het veiligstellen van invloed in Zuidoost-Azië en toegang tot de enorme minerale rijkdommen van het eiland: koper en goud.
De Amerikaanse geopolitiek na de Tweede Wereldoorlog was sterk verweven met economische belangen. De VS bouwden een wereldorde waarin politieke loyaliteit, economische integratie en militaire samenwerking samenvielen; openheid betekende in de praktijk vooral ‘toegankelijkheid’ voor Amerikaanse bedrijven en kapitaal. De CIA ontwikkelde zich tot een instrument om regimes te beïnvloeden of te vervangen — methoden variërend van financiering en desinformatie tot gewapende steun — vooral wanneer regeringen controle over grondstoffen wilden behouden of nationaliseerden.
In Indonesië botsten die belangen met Soekarno’s koers van niet-gebondenheid en economische onafhankelijkheid. Washington schakelde naar steun voor tegenkrachten, wat in 1966 leidde tot de val van Soekarno en de opkomst van generaal Soeharto, die pro-westers en marktvriendelijk was. De staatsgreep en de daaropvolgende repressie gingen gepaard met massale slachtpartijen waarin honderdduizenden — volgens verschillende schattingen tot een miljoen — werden gedood.
Parallel aan deze machtsverschuiving was er binnen Den Haag onenigheid over Nieuw-Guinea. Minister Joseph Luns pleitte officieel voor voorbereiding van zelfbestuur voor de Papoea’s, maar er bestond ook een sterke bedrijfs- en koninklijke lobby (onder meer via Prins Bernhard en de Groep-Rijkens met figuren als Unilever-directeur Paul Rijkens) die overdracht aan Indonesië bepleitte om economische belangen veilig te stellen. Deze informele kanalen lieten zien hoe staatspolitiek en commerciële belangen elkaar konden versterken.
Het meest doorslaggevende bewijs dat de uitkomst al vastlag is het contract dat het Amerikaanse mijnbouwbedrijf Freeport op 7 april 1967 sloot met Soeharto — twee jaar vóór de zogenaamde volksraadpleging op Nieuw-Guinea (de Act of Free Choice) in 1969. Freeport kreeg zeer gunstige concessies voor de exploitatie van kopermijnen en ’s werelds grootste goudvoorraad. De volksraadpleging, waarbij ruim duizend door het Indonesische leger geselecteerde Papoea’s onder sterke druk unaniem voor aansluiting stemden, fungeerde daarmee vooral als rituele legitimatie van al genomen beslissingen.
De uitkomst was desastreus voor de Papoea’s: massale militarisering, landonteigening, ecologische schade en sociale ontwrichting. De opbrengsten en het politieke gewin stroomden naar buitenlandse bedrijven en de elite rond Soeharto — die volgens Transparency International en andere bronnen enorme persoonlijke winsten en steekpenningen zou hebben geïnd — terwijl de lokale bevolking weinig tot niets zag van de bodemrijkdommen.
Het Nieuw-Guinea-geval belicht een breder patroon: grootmachten behandelen soevereiniteit deels als relatief zodra strategische grondstoffen of liggingsvoordelen in het spel zijn. Of het nu om Venezuela (olie), Groenland (zeldzame aardmetalen en uranium) of Oekraïne (kritieke mineralen) gaat, hetzelfde fundamentele mechanisme speelt: geopolitiek en economische belangen zijn verweven, en wanneer die belangen bedreigd lijken, worden democratische principes en zelfbeschikking ondergeschikt gemaakt.
De politieke stijl van Trump — openlijk ruilen en ‘deals’ maken — is nieuw in toon, niet in soort. Nieuw-Guinea is geen historisch accident; het is een waarschuwing dat zolang staten en multinationals strategische toegang en winst boven lokale rechten en milieu stellen, machtige actoren soevereiniteit kunnen ombuigen tot een kwestie van machtspolitiek en handelsbelangen.