Wat leeft er op de winterakker? Vogeltellingen geven richting aan natuurbeheer

maandag, 16 februari 2026 (07:05) - NatureToday.nl

In dit artikel:

Op 16 februari 2026 voerde het Zeeuwse agrarische collectief Poldernatuur Zeeland de tweede wintervogeltelling van het seizoen uit in de Soelekerkepolder (Noord‑Beveland). Die polder is één van de 21 clusters waar agrarisch natuur‑ en landschapsbeheer (ANLb) geconcentreerd wordt. Boeren in deze gebieden leggen akkerranden, braakstroken en bloemstroken aan — onder meer ingezaaide kruidenmengsels en kaardebollen — om wintervoedsel en schuilplaatsen te bieden aan akkervogels en insecten.

Tijdens de tellingen, die sinds 2018 door deelnemers zelf worden uitgevoerd, bleek dat ogenschijnlijk kale winterakkers veel leven herbergen: vinken, kieviten, koperwieken, krakeenden, wintertalingen, rietganzen, fazanten, hazen en roofvogels zoals torenvalken en regelmatig rondtrekkende zilverreigers. Ook werden sporen gevonden van insecten, zoals de rups van de kaardebolbladroller. De combinatie van stoppels, kruiden en braakstroken levert niet alleen voedsel voor vogels maar versterkt ook de insectenrijkdom.

De beheermonitoring richt zich primair op vier doelsoorten voor het open akkerland: patrijs, graspieper, gele kwikstaart en veldleeuwerik, maar wordt breder ingezet; alle waarnemingen worden geregistreerd. Poldernatuur Zeeland werkt met de ANOG‑methode: tellen per beheereenheid en alleen vogels die binding met die eenheid tonen binnen een straal van 150 meter noteren (overvliegende meeuwen en ganzen worden weggelaten). Per jaar zijn er vijf telrondes: drie in het broedseizoen (april, mei, juni) en twee in de winter (eindjaar en beginjaar). De ruim 500 deelnemers voeren de tellingen vooral zelf uit, met steun van vrijwilligers en op sommige plekken professionele tellers; de gegevens gaan in de Boerenlandvogelmonitor en het invoerprogramma Avimap.

Naast deze beheermonitoring voert de provincie jaarlijks beleidsmonitoring uit (via Sovon) in 35 gebieden, om trends van boerenlandvogels en de ecologische effectiviteit van ANLb‑maatregelen landelijk en regionaal te toetsen. Sinds twee jaar doet Landschapsbeheer Zeeland mee met professionele tellingen om resultaten te analyseren en te terugkoppelen aan boeren; die informatie wordt gebruikt om beheersturing en advies binnen de collectieven te geven.

Een belangrijke nevenwinst van het tellen is bewustwording en kennisuitwisseling: boeren worden gekoppeld aan vrijwilligers en vogelwerkgroepen, waardoor beide partijen van elkaar leren over landbouwpraktijk en vogelmonitoring. Poldernatuur Zeeland organiseert bovendien zogeheten telcafés waarin medewerkers, vrijwilligers, deelnemers en beleidsmedewerkers samen het veld in gaan en bevindingen delen. Die uitkomsten vormen de basis voor de beheersstrategie van het volgende seizoen: welke clusters krijgen prioriteit, welke soorten worden waar gefaciliteerd en welke zaaimengsels worden gebruikt voor nieuwe deelnemers.

Regionale prioriteiten zijn helder: Noord‑Beveland is een hotspot voor veldleeuweriken, terwijl Zeeuws‑Vlaanderen en Tholen relatief goede patrijs‑populaties kennen (ongeveer 2–3 paartjes per 100 hectare). Met provinciale subsidie wil Poldernatuur Zeeland komend voorjaar zo’n twintig patrijzen zenderen om hun bewegingen te volgen en het beheer verder te optimaliseren.

Tot slot benadrukken de veldwaarnemingen dat het niet alleen om vogels gaat: de aangelegde kruidenstroken brengen soorten als ereprijs, paarse dovenetel, kamille, hondsdraf en kaasjeskruid terug op de akkers, wat essentieel is voor insecten en daarmee voor een veerkrachtiger agro‑ecosysteem. Tekst en beeld: Pieter Verbeek (BoerenNatuur).