Wat CDA-leider Bontebal van Groen van Prinsterer heeft geleerd? „Durf tegen de stroom in te gaan"
In dit artikel:
Vrijdag hielden de wetenschappelijke instituten van de drie confessionele partijen een symposium in de Waalse Kerk in Den Haag ter herdenking van de 150ste sterfdag van Willem Groen van Prinsterer (1801–1876). Groen wordt gezien als een grondlegger van het christelijk-politieke denken in Nederland; zijn huis en kerk lagen vlak bij het Binnenhof, wat de symboliek van de bijeenkomst versterkte. CDA-leider Henri Bontenbal, CU-voorman Mirjam Bikker en SGP-leider Chris Stoffer stonden gezamenlijk stil bij Groens nalatenschap en noemden hem een voorbeeld van het durven tegengaan van heersende stromingen en van het benadrukken van maatschappelijke pluriformiteit tegenover wat men ziet als liberale eenheidsstreefbeelden.
Het symposium bracht academici samen die Groens positie ten opzichte van kwesties als slavernij, kolonialisme en nationaal sentiment analyseerden. Maartje Janse (Universiteit Leiden) stelde dat Groen weliswaar voor afschaffing van de slavernij was en later voorzitter werd van een anti‑slavernijvereniging, maar aanvankelijk weinig woorden aan het onderwerp besteedde en vond dat slavenhouders gecompenseerd moesten worden. Koosjan de Jager benadrukte Groens beperkte belangstelling voor het koloniale vraagstuk: zijn blik bleef grotendeels Europees en hij pleitte slechts sporadisch voor meer rechten voor inheemse Indonesiërs. Die terughoudendheid werd later politiek benut — na de Tweede Wereldoorlog lieten sommige protestantse politici zich op Groen voorstaan in het verzet tegen de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging, aldus De Jager.
Andere sprekers belichtten interne spanningen in Groens reputatie. Arjan Nobel (UvA) besprak het verwijt van populisme dat hij kreeg vanwege zijn verdediging van de afgescheidenen — kerkelijke afsplitsers die hij steunde — en typeerde Groen als een “revolutionaire antirevolutionair”: iemand die traditionele orde wilde bewaren maar tegelijkertijd met bevlogenheid de massa’s verdedigde. Prof. Fred van Lieburg nuanceerde het beeld van Groen als nationalist; zijn brede buitenlandse contacten en het Réveil‑klimaat maakten hem geen scherp nationalistisch denker. Prof. George Harinck wees er echter op dat intellectuele lijnen van Groens kring via opvolgers als Hoedemaker hebben kunnen bijdragen aan latere, problematische bewegingen die het idee van een “bezielde” natie verder radikaliseerden — een ontwikkeling waar sommige volgelingen in de jaren dertig en veertig ruimte maakten voor nationaalsocialistische denkbeelden.
Prof. Roel Kuiper presenteerde een nieuwe hertaling van Groens hoofdwerk Ongeloof en Revolutie en schetste de wisselende waardering voor dat boek: beperkt verspreid in de 19de eeuw, maar breed gelezen en herdrukt in de 20ste eeuw, vooral in de jaren dertig en veertig toen gereformeerden er herkenning in vonden. Kuiper wees op Groens blijvende intellectuele invloed: het zoeken naar de diepere wortels van maatschappelijke verschijnselen is in Nederlandse christelijke kring deels op zijn conto terug te voeren.
Ten slotte werd aandacht gevraagd voor Betsy Groen, Groens echtgenote, die volgens aanwezigen onterecht minder zichtbaar is in het publieke geheugen. Tineke van der Waal‑Goudriaan benadrukte Betsy’s actieve zorg voor armen en stelde dat haar nalatenschap wat vaker op straatnaambordjes zou mogen verschijnen. Stoffer noemde bovendien hoe Groens sterfwoord — “Christus alleen” — hem persoonlijk raakt en aangeeft waarom Groens religieuze kern ook vandaag nog politiek en moreel blijft inspireren.