Wat betekent God voor Margaret Atwood, schrijfster van de religie-dystopie 'The Handmaid's Tale'?

woensdag, 17 december 2025 (12:29) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Margaret Atwood (86) gebruikt haar net verschenen memoires Boek vol levens om helder terug te kijken op de wortels van haar grootste succes, The Handmaid’s Tale, en om te laten zien hoe religie zowel inspiratie als onderwerp van kritiek in haar werk is. Opgegroeid in de bossen van Quebec, ging ze op negenjarige leeftijd vrijwillig naar zondagsschool in Toronto, tegen de wens van haar ouders in. Die vroegen zich altijd al af wat religieuze indoctrinatie met mensen deed; de bijbelkennis die ze daar opdeed bleek later onmisbaar voor haar studie Victoriaanse en vroeg-Amerikaanse literatuur aan Harvard en voor het scheppen van Gilead.

Veel locaties en beelden uit The Handmaid’s Tale blijken letterlijk ontleend aan Cambridge/Harvard: Founder’s House inspireerde het huis van de Bevelvoerder, het Brattle Theatre werd de kledingwinkel voor dienstmaagden, de Widener Library fungeerde als model voor het spiedende hoofdkwartier en de falende Harvard Wall kwam terug als plek waar terechtgestelden werden opgehangen. Haar universitaire docenten, met name Perry Miller, openden haar ogen voor de puriteinse grondslagen van de vroege Verenigde Staten; dat beeld leverde een sleutelconcept voor Gilead: een op bijbeltekst gebrachte theocratische macht die religie instrumentaliseert.

Atwood beschrijft ook hoe onderzoek naar hekserij (van De Heksenhamer tot de heksenprocessen in Salem) haar beeldvorming voedde. Een ander cruciaal moment in de ontstaansgeschiedenis van The Handmaid’s Tale is haar residentie in Berlijn, waar de aanwezigheid van een Muur, de Koude Oorlogssfeer en berichten over kinderroof in Argentinië het gedachte-experiment deden ontstaan: wat als een westerse democratie zou ontsporen in een christelijke dictatuur die bijbelteksten misbruikt voor onderdrukking? Atwood benadrukt dat Gilead geen recht doet aan de kern van het christendom — naastenliefde en zelftransformatie — maar een instrument is van intolerantie en machtspolitiek.

Het boek schetst ook hoe de ontvangst van The Handmaid’s Tale veranderde: oorspronkelijk in 1985 gezien als dystopische literatuur, kreeg het na de tv‑bewerking (eerste seizoen 2017) een profetische en politiek actuele lading in het licht van extremisme en opkomend seksisme. Atwood werd onbedoeld spreekster en symbool; tegelijkertijd blijft ze ambivalent over zulke labels en over haar publieke rol.

Persoonlijker passages in de memoires belichten Atwoods relatie tot autobiografische elementen in haar romans. Haar jeugd in Ontario en de traumatische vriendschap met een meisje dat zij in fictie Cordelia noemde, staan model voor scènes in Cat’s Eye en andere werken. Hoewel veel lezers direct verbanden willen leggen, schreef ze terughoudendheid in om levende betrokkenen niet te kwetsen; in de memoires onthult ze meer zonder de privacy van anderen radicaal te doorbreken. Ze legt uit dat het verlangen naar macht niet gendergebonden is: ook haar vrouwelijke personages zijn vaak hard en opportunistisch — ze wil niet gereduceerd worden tot louter feministisch icoon.

De bundel beschrijft Atwoods oeuvre in vogelvlucht: van vroege titels als The Edible Woman tot historische romans als Alias Grace, klimaatwerken en de vervolgroman The Testaments (waarvoor ze de Booker Prize kreeg). Door de jaren bouwde ze een imago dat ook theatrale trekken heeft: soms spottend en afstandelijk, soms didactisch en colleges gevend. Zelf ziet ze zich het liefst als Baba Jaga — een dubbelzinnige figuur uit de Slavische folklore, helper en heks ineen — een metafoor voor haar veranderlijke, soms genadeloze schrijverschap.

Wat geloof betreft blijft Atwood moeilijk te vangen. In interviews in Londen zegt ze dat religie vaak wordt ingezet om mensen te beheersen en dat politieke stromingen die claimen 'wederkerig christelijk' te zijn vaak een contradictie vormen; de kerk hoort universeel te zijn. Tegelijk geeft ze toe open te staan voor een persoonlijke ervaring van God: zij noemt genade (grace) als reddende ervaring, en waardeert bepaalde troostvormen in het katholicisme — zoals absolutie — boven de protestantse twijfel over predestinatie. Daarmee toont ze een genuanceerde houding: wantrouwig tegenover religie als macht, maar ontvankelijk voor religieuze ervaring als persoonlijke hoop.

De memoires tonen ook de kwetsbaarheid van een ouder wordende schrijver: het verlies van haar man, momenten van bijna-verdwijnen in het rouwproces, en toch de plicht of drang om door te werken en te reizen voor lezingen. Atwood blijft een complex fenomeen — een productieve, soms scherpe en ontnuchterende observator van macht, gender en religie, die haar eigen levensverhaal inzet om lezer en criticus te prikkelen zonder zichzelf gemakkelijk prijs te geven.