Wat betekent de oorlog in Iran voor de olie- en gasprijzen, economie en beurzen?

maandag, 2 maart 2026 (12:50) - VRT Nieuws

In dit artikel:

Afgelopen nacht schoot de olieprijs omhoog na luchtaanvallen van de VS en Israël op Iran: de grootste dagstijging in vier jaar, aanvankelijk ongeveer 13%, inmiddels teruggevallen tot rond de 7%. Brent-olie kostte bij het schrijven circa 77 dollar per vat (was 72 dollar vrijdag). Ook de Europese groothandelsprijs voor aardgas steeg scherp, van bijna 32 naar ruim 39 euro per MWh bij opening.

De directe oorzaak is geopolitieke onzekerheid rond de Perzische Golf. De landen rond de Golf leveren ongeveer een derde van de mondiale olieproductie en zijn belangrijk voor LNG-export. Een groot deel van die export gaat via tankers door de Straat van Hormuz — waar dagelijks zo’n 20 miljoen vaten langsgaan, grofweg 20% van de wereldproductie. Door de gevaren voor scheepvaart ligt dat transport vrijwel stil of wordt het risicovoller, waardoor handelaren een extra premie rekenen en de prijzen omhoog gaan.

OPEC+ reageerde door de productie met 206.000 vaten per dag op te voeren, maar dat is symbolisch: het is slechts circa 0,2% van het wereldwijde verbruik (ongeveer 100 miljoen vaten per dag) en remt de prijsdruk nauwelijks.

Of de prijzen verder stijgen hangt volgens economen van drie zaken af: de schade aan Iraanse olie-installaties (Kharg-eiland is cruciaal en levert een groot deel van Iranse export), eventuele treffers op installaties in andere landen in de regio, en de duur van het conflict. Energieonderzoeker Moniek/Monique de Jong schat dat op korte termijn een prijsstijging van 5–15% waarschijnlijk is, vooral door onzekerheid. Op korte termijn dempen voorraden en strategische reserves de impact; als scheepvaart door de Straat van Hormuz echter maanden stagneert, kunnen de effecten veel ernstiger en langduriger worden — mogelijk vergelijkbaar met de energiecrisis na de Russische inval in Oekraïne.

Wat consumenten en markten merken: pompprijzen volgen met vertraging, en directe grote sprongen aan de pomp zijn niet per se te verwachten, maar bij aanhoudende spanning kunnen brandstof- en energieprijzen op termijn duidelijk stijgen. Historisch gezien dalen olieprijzen vaak weer binnen een week na het uitbreken van regionale conflicten en herstellen aandelenmarkten zich ook snel; daarom waarschuwen analisten beleggers tegen paniekverkopen. Aziatische beurzen lieten beperkte verliezen zien (Saudi Tadawul slechts enkele procenten, Japan circa -1,5%); Europese beurzen openden ongeveer 2% lager.

Macro-economisch is hogere olieprijs negatief: het werkt inflatieverend, drukt consumptie en remt groei. Dat is schadelijk voor de VS en EU, maar ook problematisch voor Azië (China, Japan, Zuid-Korea) die sterk afhankelijk is van importbrandstoffen; zelfs landen met strategische voorraden worden in ongemakkelijkere posities geduwd. Mogelijke beleidsreacties omvatten vrijgave van strategische reserves, diplomatieke spanningsvermindering of extra productie van andere leveranciers, maar die maatregelen hebben beperkingen en tijd nodig.

Kortom: de plotselinge prijspiek weerspiegelt kwetsbaarheid van wereldolie- en gasstromen via de Perzische Golf. De verdere koers voor prijzen, consumenten en markten zal vooral bepaald worden door de omvang van schade aan infrastructuur, de mate van verspreiding van het conflict in de regio en hoe lang spanningen blijven voortduren. Voor nu geldt: waakzaamheid is geboden, paniek weinig zinvol.