'Was de minnares van Dr. Crippen medeplichtig aan de moord op zijn vrouw? Ik denk het wel'
In dit artikel:
Hallie Rubenhold loopt met de lezer door het centrum van Londen — langs Store Street, New Oxford Street, Hilldrop Crescent en het oude magistrates court bij Bow Street — terwijl ze haar nieuwe boek Het verhaal van een moord toelicht. Als sociaal-historicus reconstrueert ze de beruchte keldermoord rond Hawley Harvey Crippen en zijn vrouw, de Amerikaanse variété-artieste Belle Elmore, maar vooral plaatst ze het drama in zijn maatschappelijke context en geeft ze de vrouwen in dit verhaal weer een stem.
De zaak begint met Crippen zelf: in 1887 ontmoet hij in New York zijn eerste vrouw Charlotte Bell; na haar mysterieuze dood in Salt Lake City vestigt hij zich opnieuw, trouwt met Belle en verhuist in 1897 naar Londen. Crippen bouwt daar een praktijk op in homeopathische middelen en raakt betrokken bij oplichtingspraktijken. Hij verleidt zijn jonge typiste Ethel Le Neve en laat Belle steriliseren — een ingreep die haar leven ingrijpend veranderde en haar carrière als variété-artieste mede bepaalde. De spanning escaleert tot de fatale nacht van 31 januari (in de bronnen wisselende jaartallen), waarna op 13 juli 1909 de resten van Belle in de kolenkelder van het huis aan Hilldrop Crescent 39 worden gevonden. Scotland Yard-inspecteur Walter Dew vindt weggehakte resten; Crippen zou haar hebben ontdaan van botten en vlees, een gruwelijke poging om het lichaam te doen verdwijnen.
De nasleep ontwikkelde zich tot een internationaal spektakel. Crippen en Ethel probeerden Canada te bereiken op de SS Montrose, maar werden in Québec gearresteerd nadat kapitein en politieberichten via Marconi-wireless contact konden opnemen met Scotland Yard. De technologische innovatie van draadloze communicatie maakte de achtervolging en arrestatie mogelijk en markeert hoe moderne middelen een rol speelden in politieonderzoek. Crippen werd in Londen berecht en op 23 november 1910 ter dood veroordeeld; Ethel werd uiteindelijk vrijgesproken van medeplichtigheid.
Rubenhold herleest de bekende elementen van de affaire om iets anders te laten zien: wie waren Belle en Ethel, en hoe past hun lot in bredere sociale veranderingen? Ze laat zien dat de publieke en juridische verhaallijn lange tijd vrijwel uitsluitend door mannen werd verteld — journalisten, advocaten en politie — waardoor Belle werd gedemoniseerd als egoïstisch of immoreel en Ethel werd geportretteerd als een weerloos meisje. Rubenhold wijst erop dat die eenzijdige framing paste in Victoriaanse genderbeelden en in de angst voor de “Nieuwe Vrouw”: de opkomende, mondige, werkende vrouw van eind 19e/begin 20e eeuw.
Door archiefonderzoek — politierapporten, kranten, brieven en Ethels memoires — reconstrueert Rubenhold hoe Belle populair en sociaal ingebed was in de Music Hall-wereld en hoe vrienden van artiesten, zoals de Music Hall Ladies’ Guild en haar voorzitster Isabel Ginnett, een cruciale rol speelden bij het aandringen op onderzoek dat uiteindelijk tot de ontdekking van het lichaam leidde. Tegelijkertijd schetst Rubenhold Ethel als een berekenende jonge vrouw die, afkomstig uit de lagere middenklasse, profiteerde van de “white‑collar” revolutie: secretaresses en kantoormedewerkers kregen economische autonomie en met die kans kwam sociale ambitie. Ethel pronkte met sieraden en wilde deel uitmaken van de hogere kringen waarin Crippen zich bewoog. Die aspiratie verklaart volgens Rubenhold deels haar gedrag en haar rol in de affaire.
Over de moord zelf betoogt Rubenhold dat het geen geïsoleerde daad van één man was maar eerder een gedeelde, escalerende samenspanning tussen Crippen en Ethel — een folie à deux. Ze schetst een scenario waarbij Crippen met scopolamine geprobeerd zou hebben Belle te vergiftigen, maar door een te hoge dosis delirium en een daaropvolgende worsteling een fatale uitkomst inluidde. Het ontleden en verwerken van een lichaam wees volgens haar op premeditatie en nauwgezette pogingen om sporen te wissen: mogelijk zijn botten naar een slachthuis gebracht en resten in de kelder bedekt met ongebluste kalk. Ethel, die kort na de verdwijning alweer in het huis was, moet volgens Rubenhold getuige zijn geweest van aanwijzingen en mogelijk medeplichtig hebben geholpen; toch presenteerde haar verdediging haar aan de jury als kwetsbaar, wat paste bij het Victoriaanse ideaal en bij de mediacampagne die haar onschuld benadrukte.
Rubenhold besteedt veel aandacht aan de rol van de pers en de publieke sensatie: rechtbankzalen stroomden vol, er werden zelfs toegangskaartjes verkocht en verslaggevers uit heel Europa en Noord-Amerika maakten er een wereldwijd narratief van. De zaak werd in kranten al snel “Misdaad van de Eeuw” genoemd, niet alleen door de gruwelijkheid maar ook omdat ze samenviel met technologische en sociale veranderingen: radiocommunicatie, massamedia en veranderende genderrollen.
Als historica ziet Rubenhold misdaden niet als enkel sensatie, maar als een lens op de psyche van een tijdvak. Door de focus te verleggen van de beroemde dader naar de vaak genegeerde vrouwen — hun carrières, vriendschappen, ambitie en hoe de samenleving hen beoordeelde — wil ze laten zien wat zulke affaires onthullen over klasse, gender en moraliteit rond 1900. Haar eerdere werk over de vrouwen van Jack the Ripper past in diezelfde beweging: slachtoffers terugbrengen in het verhaal als volwaardige personen in plaats van hinderlijke bijzaken.
Het artikel sluit intiem af met de verslaggever die op de vroege ochtend het graf van Belle Elmore opzoekt op de begraafplaats van St Pancras en Islington. Tussen mosbegroeide zerken vindt hij de grafsteen met de naam Cora Crippen (Belle Elmore), legt narcissen neer en merkt op dat, ondanks decennia van publieke veroordeling en mythologisering, Belle niet vergeten is. Rubenhold’s boek draagt daar volgens de journaliste aan bij: het haalt een menselijk gezicht en maatschappelijke context terug in een van de meest besproken misdaden van de twintigste eeuw.