Wanstaltige afbeeldingen en uitspraken zijn meestal geen werk voor de strafrechter - bestrijd beledigers zélf, met flair
In dit artikel:
Vorige jaar plaatste Geert Wilders op X een aanstootgevend beeld waarin twee halve vrouwengezichten tegenover elkaar werden gezet — een aantrekkelijke blonde vrouw gelinkt aan de PVV en een boze oudere vrouw met hijab gelinkt aan de PvdA — met een verwijzing naar de Tweede Kamerverkiezingen van 29 oktober. De afbeelding leidde tot ongeveer 16.000 meldingen bij antidiscriminatiebureaus en een stroom aangiften wegens groepsbelediging en het aanzetten tot haat bij het Openbaar Ministerie (OM).
Vorige week besloot het OM de zaak te seponeren: volgens het parket is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor een succesvolle strafrechtelijke vervolging. Klagers die door willen procederen, kunnen nog een zogenoemde artikel 12-procedure bij het gerechtshof starten. De beslissing roept frustratie en teleurstelling op bij slachtoffers en melders, die zich door de staat in de steek gelaten voelen en vragen wat er dan wél strafbaar is.
De columnist wijst er echter op dat deze uitkomst niet verrassend is binnen het Nederlandse rechtssysteem: vrijheid van meningsuiting beschermt ook grove en beledigende uitlatingen, en die vallen lang niet altijd onder strafbare discriminatie. Hij trekt parallellen met eerdere zaken waarin het OM vergelijkbare uitspraken als schokkend maar niet strafbaar beoordeelde. Daarnaast waarschuwt hij dat strafzaken vaak averechts kunnen werken en het strafrecht het uiterste middel moet zijn.
Als alternatief adviseert hij dat antidiscriminatie-organisaties en klagers hun verwachtingen bijstellen en meer inzetten op publieke tegenreacties en maatschappelijke fora om racisme en haat effectief te bestrijden, in plaats van primair te vertrouwen op de strafrechtelijke route.