Waarom wil TNO-gasdirecteur René Peters opeens tornen aan de afsluiting van het Groningenveld?

woensdag, 25 februari 2026 (07:13) - Dagblad van het Noorden

In dit artikel:

René Peters, directeur gas bij TNO, roept op het gasveld onder Groningen niet volledig dicht te zetten maar als strategische reserve beschikbaar te houden voor crisissituaties. Zijn telefoontjes staan al weken roodgloeiend sinds hij dat advies gaf; de politiek — inclusief de coalitie — heeft het voorstel afgewezen en sommige rechtse partijen gebruiken het argument om reguliere winning te promoten. Peters benadrukt echter keer op keer dat hij niet pleit voor heropening van het veld voor gewone productie.

Waarom een reserve? Nederland beschikt volgens hem over historisch lage nationale gasvoorraden (11,7%). Tegelijk is de wereldwijde aanvoer kwetsbaar: grote pijpleidingen uit Noorwegen lopen via zee en zijn vatbaar voor sabotage (zoals bij Nord Stream), veel LNG komt uit de VS en is politiek te beïnvloeden, en leveringen uit het Midden-Oosten kunnen stokken als routes zoals de Straat van Hormuz worden afgesloten. In zo’n fysieke tekortsituatie zouden huishoudens of vitale instellingen afgesloten kunnen worden; daarom is een niet-angelopen noodvoorraad volgens Peters verstandig.

Peters wijst erop dat bestaande ondergrondse opslagen zoals Norg en Grijpskerk geen echte strategische reserves zijn — die zijn routinematig aan het einde van de winter leeg. In Groningen zou, technisch gezien, nog ongeveer 500 miljard kuub gas zitten, maar Peters wil dat vooral als laatste krantje in de brandkast bewaren, niet als bron voor goedkope, normale winning. Hij benadrukt zijn eigen staat van dienst: ruim 28 jaar bij TNO en in de afgelopen tien jaar actief betrokken bij energietransitie-oplossingen (waterstof, wind op zee, CO2-opslag), dus hij ziet het bewaren van een reserve als tijdelijk maatregel tot Nederland volledig is gedekarboniseerd.

De veiligheidsautoriteit Staatstoezicht op de Mijnen (SODM) stelt dat winning in Groningen onveilig is. Peters zegt dat in een echte noodsituatie de afweging anders kan liggen: een beperkte toename van het risico op bevingen zou onder strikte voorwaarden geaccepteerd kunnen worden om leveringszekerheid te behouden. Hij pleit voor zorgvuldig selecteren welke boorclusters eventueel als reserve openblijven: veel clusters en putten zijn al dicht of worden buiten gebruik gesteld (6 van de 22 clusters zijn gesloten; zo’n 70 van circa 300 putten worden reeds afgedicht), maar het demobiliseringsproces duurt nog jaren — dit is volgens hem het laatste moment om keuzes te maken.

Technisch noemt hij ook opties om tijdens activering van een reserve drukverlaging en daarmee bevingen te vermijden, bijvoorbeeld door injectie van stikstof, CO2 of water. Politiek en juridisch pleit hij voor harde garanties: een duidelijke definitie van wat een noodsituatie is, en een verplichte regeringsverklaring voordat putten gebruikt mogen worden. Financiële compensatie voor de regio noemt hij bespreekbaar — vergelijkbaar met het bestaande model waarbij kleine velden een percentage van opbrengsten naar de regio brengen (ongeveer 5%) — maar concrete regelingen moeten politiek en maatschappelijk worden uitgewerkt.

Peters erkent de gevoeligheid richting Groningers die nog wachten op schadeherstel en sluit misbruik door toekomstige politici niet uit; daarom pleit hij voor strikte voorwaarden zodat een reserve niet ongemerkt verandert in regulier winnen. Hij waarschuwt tegelijk dat als alles nu definitief wordt afgesloten en gecementeerd, men daar later spijt van kan krijgen als Europees aanbod plotseling uitvalt.