Waarom verliep de Reformatie in het oosten van Utrecht zo moeizaam?
In dit artikel:
Ds. P. (Pieter) Koekkoek, predikant die ruim dertig jaar aan de protestantse gemeente De Voorhof in Woudenberg verbonden was en vorig jaar met emeritaat ging, promoveert donderdag aan de Rijksuniversiteit Groningen op de reformatiegeschiedenis van het Eemland (1520–1650). Zijn bijna tien jaar durende onderzoek ontstond uit twijfel bij lokale verhalen dat het religieuze landschap “altijd al zo geweest” zou zijn.
Koekkoek concludeert dat het Eemland een grensgebied was tussen de westelijke, snel gereformeerd rakende gewesten en het oostelijk onder Spaans bewind staande gebied. Door voortdurende troependoortochten, plunderingen en verwoestingen raakte de streek economisch en kerkelijk zwaar beschadigd. Dat verklaart volgens hem waarom de Reformatie er ruim vijftig jaar achterliep: kerken en kloosters waren onbruikbaar, armoede en onzekerheid maakten mensen conservatiever en minder ontvankelijk voor nieuwe gereformeerde rituelen.
Het religieuze profiel van dorpen bleek sterk bepaald door de nabijheid van Amersfoort, waar schuilkerken (staties) en actieve katholieke priesters hun invloed uitoefenden. Dorpen in de nabijheid bleven daardoor veelal katholiek, terwijl Bunschoten een uitzondering vormde doordat daar veel doopsgezinden woonachtig waren — een groep die makkelijker naar het gereformeerde geloof kon overstappen. Een verrassende vondst is dat Eemnes in de onderzochte periode juist grotendeels protestants was, terwijl het later overwegend katholiek werd; de oorzaak van die omkering blijft onduidelijk.
Koekkoek plaatst zijn studie breder: veel katholieken en protestanten uit die tijd waren vluchtelingen die bijdroegen aan de opbouw van Nederland. Hij waarschuwt tegen vereenvoudigde historische narratieven die vandaag de dag soms worden misbruikt in discussies over identiteit en vreemdelingen. Het boek, getiteld Aan de frontiere gelegen. Reformatie en strijd in Eemland (1520–1650), legt uit hoe lokale conflicten, migratie en kerkelijke infrastructuur samen bepaalden waarom aangrenzende dorpen andere religieuze keuzes maakten.