Waarom verlangt een groeiende groep in Iran naar de ijzeren vuist van Trump?

zaterdag, 31 januari 2026 (16:23) - Joop

In dit artikel:

Een bevriende Iraanse politiek filosoof die jaren geleden uit Iran naar Canada vluchtte vormt het beginsel van dit betoog: hij propageerde in Iran lange tijd geweldloos verzet — geïnspireerd op Thoreau, Gandhi, Martin Luther King en Mandela — en werd daarvoor door het regime van de ayatollahs gevangen gezet, gefolterd en gedwongen tot een bekentenis. Zijn strategie rustte op de veronderstelling dat machthebbers in zekere mate terughoudend zouden blijven met massaal en immoreel geweld tegen hun eigen bevolking, vanwege legitimiteit intern of angst voor internationale repercussies.

Die veronderstelling lijkt in Iran de afgelopen decennia steeds minder houdbaar. Recente protesten zijn steeds harder en bloediger neergeslagen; de auteur noemt de massaslachting van burgers in de afgelopen weken als dieptepunt. Het geloof in de effectiviteit van burgerlijke ongehoorzaamheid wankelt bij veel Iraniërs, zeker nu het regime keer op keer brutale repressie toepast.

In de Iraanse diaspora — vooral onder oud-asielzoekers in Europa en Noord-Amerika — groeit daardoor woede, wanhoop en de roep om hardere middelen. Sommige emigranten pleiten openlijk voor militaire interventie of steun van wereldleiders als Donald Trump en bondgenoten als Netanyahu. Dat heeft geleid tot zorgwekkende politieke verschuivingen: sommige diasporagroepen zoeken bondgenoten en retoriek bij westerse populisten en extreemrechtse figuren (zoals genoemd worden Wilders, Farage, Robinson), en er is bewondering voor de zoon van de sjah, Reza Pahlavi, bij delen van de oppositie. De auteur waarschuwt dat dergelijke allianties riskant zijn en kunnen uitmonden in het omarmen van andere vormen van autoritarisme of islamofobie.

Tegelijkertijd wijst hij kritiek op West-Europese en progressieve commentatoren: velen verwerpen aansporingen tot interventie als naïef of als onderdeel van een imperialistische agenda, en zetten de roep om externe inmenging weg als het spel van machtspolitiek tussen Washington, Tel Aviv en Teheran. Volgens de auteur is die reflex te gemakzuchtig; het minimaliseren van de ernst van het regimegeweld — zelfs bij onzekerheid over precieze dodenstatistieken — negeert het menselijke leed en ontneemt veel Iraniërs hun laatste restje vertrouwen in geweldloosheid.

Internationale maatregelen zoals sancties of het op de terreurlijst zetten van de Revolutionaire Garde hebben Iran weinig van zijn repressieve capaciteit gekost: het regime heeft decennialang overleefd onder druk en gebruikt die ervaring om steeds bruter opstanden neer te slaan. Daardoor groeit het verlangen onder sommige Iraniërs naar een buitenstaander die hard kan terugslaan—een wens die de auteur begrijpt, maar gevaarlijk vindt gezien de potentiële kosten en de aard van voorgestelde bondgenoten.

De conclusie is somber: de traditionele routekaart naar geweldloos verzet lijkt in Iran aan zijn grenzen te zijn gekomen; het geloof erin brokkelt af te midden van systematische massamoorden en een gevoel van internationale machteloosheid. De auteur pleit voor zorgvuldigheid — zowel tegenover het romantiseren van externe harde interventies als tegenover het wegkijken van westerse critici — en stelt vast dat theorie en werkelijkheid in Iran pijnlijk uiteenlopen.