Waarom stopt Tata Steel niet gewoon met zijn vervuilende cokesfabrieken?
In dit artikel:
Tata Steel in IJmuiden staat onder druk omdat de twee cokesfabrieken mogelijk moeten sluiten vanwege te hoge uitstoot. De omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied legde al miljoenenboetes op en kondigde later aan vergunningen te willen intrekken. Dat raakt het hart van het productieproces: cokes, gemaakt door steenkool verhitten zonder zuurstof, levert zowel het brandstofgedeelte voor hoogovens als restgassen die op het terrein worden benut voor stroomproductie.
Belanghebbenden spreken elkaar tegen over de gevolgen. Vakbond FNV waarschuwde in 2022 dat sluiting van de kooksovens zonder een alternatief voor “groen staal” onvermijdelijk tot de sluiting van de hele fabriek en tot een sociaal drama in de regio zou leiden. Tata zelf rekent op zware extra kosten: op zijn website stelt het bedrijf dat het verliezen van de eigen cokesproductie een extra gasrekening van 850 miljoen euro per jaar zou opleveren en de fabriek “onder water” zou zetten. Tegelijkertijd nuanceert financieel directeur Koushik Chatterjee die som in een interview: onderhandelingen met autoriteiten lopen en de vestiging zou in elk geval winstgevend kunnen blijven. De accountant van Tata zette recent wel een ‘material concern’ in het kwartaalrapport, waarmee twijfels over de voortzetting van de IJmuidense activiteiten worden onderstreept.
Follow the Money nam de cijfers onder de loep en concludeert dat de extra kosten substantieel zijn, maar waarschijnlijk niet zo catastrofaal als Tata stelt. Tata produceert zelf ongeveer 1,8 miljoen ton cokes per jaar. Als die productie stopt en Tata cokes op de markt moet kopen, komen de inkoopkosten — bij Europese leveranciers — uit op grofweg 222–380 euro per ton, oftewel circa 400–680 miljoen euro per jaar. Er zijn ook mogelijke inkooproutes buiten Europa (bijvoorbeeld India), maar die brengen extra transportkosten met zich mee.
Tegelijkertijd vallen er besparingen weg: de aankoop van ruwweg 2,4 miljoen ton steenkool (tegen circa 170 euro/ton) behoeft dan niet meer, wat ongeveer 400 miljoen euro scheelt. Ook kunnen ongeveer 450 banen bij de kooksovens vervallen — grotendeels arbeidskostenreductie naar schatting circa 45 miljoen per jaar. Netto liggen extra kosten en besparingen daardoor dichter bij elkaar dan de extreem hoge €850 miljoen-schatting doet vermoeden.
Het grootste onzekere punt is het kooksovengas: dat gas voedt elektriciteitsproductie op het terrein. Tata spreekt over 95.000 m3 gereinigd kooksovengas per uur. Als dat wegvalt, moet de energie elders worden ingekocht; Tata rekent dat mogelijk door naar die genoemde €850 miljoen. Follow the Money rekent met gangbare energie-inhoud en actuele gasprijzen en komt uit op een veel lagere meerkostenpost — rond honderden miljoenen euro’s minder dan Tata claimt — maar Tata geeft niet prijs welke aannames zij precies gebruikte (mogelijk rekent het bedrijf met piekprijzen uit 2022).
Financieel gezien is de impact relatief groot voor de IJmuidense winstgevendheid: de wereldwijde omzet van Tata Steel bedroeg in 2025 zo’n 26 miljard dollar, IJmuiden boekte circa 6,3 miljard euro omzet. Maar de gemiddelde winst na belasting in IJmuiden over de afgelopen tien jaar was maar ongeveer 71 miljoen euro per jaar: relatief kleine marges, dus extra kosten door cokesinkoop en gas kunnen het verschil betekenen tussen winst en verlies.
Op de lange termijn speelt ook de verduurzagingsopgave mee: om ‘groen staal’ te produceren moet Tata toch af van steenkool en cokes, wat sluiting of ombouw van de cokesovens onvermijdelijk kan maken. Dat vraagt grote investeringen in nieuwe infrastructuur (gasreceivers, andere logistiek) en verandert de kostenstructuur per ton staal. In een overbevoorraadde wereldmarkt en met structureel hogere energiekosten is het onduidelijk of grootschalige investeringen rendabel zijn.
Kort gezegd: sluiting van de cokesfabrieken brengt honderden miljoenen extra kosten mee, maar de meest doemscenario’s lijken op basis van openbare cijfers overdreven. Of de IJmuidense fabriek daardoor kan blijven bestaan, hangt af van onderhandelingen met toezichthouders, investeringskeuzes richting groenere processen en de ontwikkeling van energie- en grondstofprijzen.