Waarom het strenge beleid voor afgewezen asielzoekers niet is terug te zien in de terugkeercijfers

woensdag, 15 april 2026 (11:46) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Askal Kidane (41), Reeda Sehla Betgo (43) en hun drie kinderen wonen al meer dan tien jaar in het azc in Amersfoort. Hun leven speelt zich er af: geboorte- en schoolfoto’s, voetbaltraining, vrienden, kerk. Toch heeft de IND hun asielaanvraag meermalen ‘niet-ontvankelijk’ verklaard omdat hun nationaliteit niet overtuigend kan worden aangetoond. Deportatie naar Eritrea is niet mogelijk vanwege onveiligheid; Ethiopië accepteert hen niet als Eritreeërs. De Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) probeert hen uit te zetten, maar het gezin zit gevangen in dat juridische en diplomatieke knoop: zij willen soms meewerken, maar ontbreken de juiste papieren en garanties voor veiligheid en huisvesting in het land van herkomst.

Het verhaal van dit gezin illustreert een groter patroon in Nederland en Europa: terugkeerbeleid is de afgelopen twintig jaar sterk geprofessionaliseerd en strenger geworden—nationaal met de oprichting van de DTenV (2006), lokaal met lvv-regelingen en pilots, en sinds kort op EU-niveau met een nieuwe, aangescherpte Terugkeerverordening die in het Europees Parlement is aangenomen (april 2026). Die verordening bevat controversiële elementen zoals terugkeerhubs in derde landen en verlenging van maximale detentietermijnen van 18 naar 24 maanden. Politici roepen harder op vertrek (CDA, VVD, PVV), ministeries lobbyen voor strengere instrumenten, en maatschappelijke onrust over ‘te weinig vertrek’ groeit.

Toch leveren strengere maatregelen weinig op. Recente studies en veldonderzoek tonen dat slechts één op de vijf uitgeprocedeerde migranten daadwerkelijk terugkeert, en dat ongeveer 79 procent niet terugkeert (EU-project FAiR). Terugkeer blijkt “beleidresistent”: de beslissing van iemand om te vertrekken hangt vooral af van factoren buiten het directe bereik van beleid—zoals familierelaties, schulden, angst voor stigma, trauma, de economische en veiligheidsituatie in het land van herkomst, en of dat land wil meewerken. Universitair docenten en onderzoekers (onder wie Marieke van Houte, Arjen Leerkes, Tineke Strik) stellen dat relaties en goodwill met herkomstlanden veel zwaarder wegen dan dwangmaatregelen.

Praktisch beleid bestaat uit twee lijnen: repressie (detentie, criminalisering, strengere regels) en faciliteiten (financiële prikkels, hulp bij repatriëring). Nederland is relatief goed gestructureerd: van DTenV en vreemdelingenbewaring tot gemeentelijke opvang en ngo’s—een verfijnde ‘terugkeer-infrastructuur’. Toch werkt dit paradoxaal: door louter te mikken op vertrek en door alternatieven te schrappen (bijvoorbeeld bezuinigingen op lvv), wordt de bereidheid van uitgeprocedeerden om mee te werken juist ondermijnd. In andere landen bestaat wél meer flexibiliteit: Duitsland kent een tweesporenbeleid (bijvoorbeeld kans op verblijf bij integratie), en Zuid-Europese staten maken vaker regularisaties mogelijk.

Voorbeelden uit de praktijk tonen de beperkingen van beleid en financiën. Nederland stimuleerde vrijwillige terugkeer naar Syrië met hogere vergoedingen (tot €5.000), wat leidde tot aanvragen; DTenV meldt tot nu toe ruim 1.220 terugkeerders naar Syrië. Tegelijkertijd benadrukken Syrische functionarissen dat hun land vaak niet in staat is mensen adequaat op te vangen: wederopbouwkosten en humanitaire noden zijn enorm, en dure of onveilige thuissituaties maken massale terugkeer problematisch. Onderzoek naar terugkeerders in Irak laat zien dat een groot deel zich gedwongen voelt teruggekeerd en dat veel terugkeerders na terugkeer economisch slechter af zijn dan vóór vertrek; duurzame herintegratie ontbreekt vaak.

Vreemdelingenbewaring wordt frequenter en strenger ingezet, maar levert geen hogere vertrekcijfers. Instellingen en organisaties (Nationale ombudsman, ACVZ, Amnesty) waarschuwen voor schendingen van grondrechten en de schadelijke psychische gevolgen van langdurige isolatie en isoleercellen. Ook het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zette grenzen aan het routinematig rondpompen van mensen na achttien maanden detentie.

Een andere belemmering is geopolitiek en economische realpolitik: landen van herkomst hebben macht—diaspora-inkomsten, handelsrelaties en Nederlandse economische belangen kunnen medewerking aan terugkeer verminderen. Nederlandse handelsmissies blijken soms juist terugkeerafspraken te frustreren wanneer economische contracten zwaarder wegen dan afspraken over uitzetting.

Lokale initiatieven tonen enige effect: opvang met begeleiding (bed-bad-brood, lvv-pilots) en persoonlijke trajectbegeleiding vergroten de kans dat mensen nadenken over terugkeer of alternatieve oplossingen vinden; evaluaties laten echter gemengde resultaten zien. Het onderzoek Return Migration Infrastructures of the Netherlands (2025) concludeert dat Nederland bovengemiddeld veel middelen heeft gericht op terugkeer, maar dat harde beleid tegelijk de kans op daadwerkelijke vertrekbereidheid ondermijnt.

Conclusie van het artikel: het politieke verlangen naar harde maatregelen — strengere regels, meer detentie, internationale ‘hubs’ — compenseert niet voor de complexe realiteit. Effectieve terugkeer vergt diplomatieke relaties, reële opvang- en reintegratiemogelijkheden in het land van herkomst, en aandacht voor individuele omstandigheden. Zonder die twee knoppen—relatie met het land van herkomst en vertrouwen/voorzieningen voor de migrant—blijven hoge ambities op papier en harde retoriek in de Kamer weinig meer dan symbolisch beleid. Voor gezinnen zoals dat van Askal en Reeda betekent het: langdurige onzekerheid, beperkt bewegings- en toekomstperspectief, en leven tussen hoop, juridische procedures en dagelijkse realiteit—schoolpleinen, voetbalvelden en koffiezitjes in een azc.