Waarom gaan we massaal naar die - toch best saaie - sportschool?
In dit artikel:
Meer dan een kwart van de Nederlanders fitness minstens wekelijks, en daarmee is de sportschool uitgegroeid tot de populairste sport van het land. In dit essay onderzoekt Koen Haegens op 29 juli 2026 waarom fitness zo’n enorme vlucht heeft genomen en wat dat zegt over onze tijd. Hij vertrekt vanuit zijn eigen, steeds kritischere blik op de sportschool: van het plezier en de gezondheidswinst die fitness biedt tot de ergernis over de sfeer, het individualisme en de liefdeloosheid in veel zalen.
Haegens schetst hoe fitness zich ontwikkelde van elitair negentiende-eeuws lichaamscultuurproject tot massale, commerciële vrijetijdsbesteding, vooral overgewaaid uit de Verenigde Staten. Volgens cijfers van NOC*NSF doen inmiddels 3,9 miljoen Nederlanders eraan, ook veel jongeren. Deskundigen als Paul Hover en Jeroen Scheerder duiden de opmars als gevolg van flexibiliteit, gezondheidsmotieven en schoonheidsidealen, maar ook van een samenleving waarin individuen steeds meer op hun eigen prestaties worden afgerekend.
Daarmee past fitness volgens onder meer socioloog Jürgen Martschukat in het neoliberale tijdperk: het lichaam wordt een project waarin je moet investeren voor rendement in de vorm van gezondheid, aantrekkingskracht en succes. Tegelijk laat de sportschool zien dat er nog steeds behoefte is aan gemeenschap, maar dan in losse, vrijblijvende vorm: mensen trainen samen, maar blijven vooral solisten die zelf willen bepalen hoe, wanneer en waarom ze sporten.
De auteur concludeert uiteindelijk dat de sportschool een spiegel is van een halfslachtige samenleving: we willen erbij horen, maar ook beter, strakker en succesvoller zijn dan de rest. Uiteindelijk kiest hij zelf liever weer voor een minder saaie sport, één waarin plezier belangrijker is dan herhalingen, kilo’s en rendement.
Vandaag Inside: Johan Derksen kritisch op tv-optreden Mona Keijzer: ‘Ik ben fan van haar, maar…’