Waarom de Somalische crimineel Moes van Mokum geen Amsterdammer is en Johnny Jordaan en Ayaan wel

zaterdag, 17 januari 2026 (21:11) - GeenStijl

In dit artikel:

Burgemeester Halsema’s berichtgeving over de aanhouding van Mustafa A. (27) — in de media vaak aangeduid als “Amsterdamse Somaliër” — betreft zijn vermeende rol bij een dodelijke schietpartij in Fuengirola (Spanje) in de nacht van 6 op 7 december 2024. Slachtoffer was de 25‑jarige Jasin Ajar, die volgens justitie werd neergeschoten bij het cannabiscafé The Legends. Justitie vermoedt dat Mustafa A. bij de voorbereidingen betrokken was: hij zou onder meer het vliegtuig voor een medeverdachte hebben betaald, samen met die persoon een hotel hebben bezocht om een tas op te halen waarin vermoedelijk wapens zaten, en logistieke hulp hebben geregeld (zoals een achtergelaten fiets en het huren van een fiets in Torremolinos). Mustafa werd op 11 december zwaargewond aangetroffen in Torremolinos en vervolgens gearresteerd.

In hetzelfde dossier speelt Afif J. (30) een rol: hij zou de 17‑jarige Shah C. uit Gent naar de plaats van het delict hebben gebracht. Afif J. is op 4 januari 2025 in Rotterdam door een arrestatieteamlid doodgeschoten nadat hij op een verkenner had geschoten bij een onderduikadres. Shah C. wordt door justitie genoemd als de schutter die Jasin Ajar doodde; hij liet volgens het onderzoek het automatische wapen achter en vluchtte op een fiets die klaarstond.

De schrijver van het stuk gebruikt de zaak als aanleiding voor een persoonlijke en scherpzinnige tirade tegen labels als “Amsterdammer” gekoppeld aan etniciteit. Hij ontkracht de notie dat Mustafa A. representatief is voor Amsterdam en somt beroemde (autochtone) Amsterdammers op als contrasterende identiteitssymbolen. De tekst is doorspekt met sarcasme, culturele stereotypen en cynische reflecties op multiculturele beeldvorming.

Verder koppelt de auteur de zaak aan bredere zorgen over criminele netwerken en internationale geldstromen. Hij haalt de Deense documentaireserie De Advocaat van de Onderwereld aan, waarin een juriste bendes adviseert over witwassen en ontsnappingsconstructies; ook wijst hij op de aanwezigheid van Somalische bendes in Scandinavië (onder meer LTF) en vermeldt hij hawala‑systemen als veelgebruikte informele overboekingsroutes richting Somalië. Historische en persoonlijke observaties over overlast en radicale stereotypering van Somalische jongeren in Europese steden illustreren zijn bredere onvrede en angstbeeld.

Als aanvullende context: sommige verwijzingen in het artikel (zoals beweringen over etnische gemiddelden in IQ) zijn omstreden en worden in academisch verband breed bekritiseerd om methodologische en politieke redenen. De zaak in Spanje illustreert desalniettemin hoe grensoverschrijdende criminele netwerken, logistiek en lokale geweldsuitbarstingen elkaar kunnen raken — en tegelijk hoe media‑ en politiektaal snel leidt tot identiteitspolitieke reacties. De auteur sluit met een lofzang op Ayaan Hirsi Ali en een expliciete afwijzing van het idee dat de verdachte representatief zou zijn voor een hele stad of bevolkingsgroep.