Waarom bleef poging moord en verkrachting eerst buiten de media?

woensdag, 28 januari 2026 (10:12) - Fok!

In dit artikel:

De rechtbank spreekt vanmiddag vonnis in de zaak tegen de 26-jarige Mohammed H., die wordt verdacht van een poging tot verkrachting en een poging tot moord op een 20-jarige vrouw in het Westerpark in Amsterdam. H. werd op 10 mei 2024 op heterdaad gearresteerd; de inhoudelijke behandeling vond later plaats, op 14 januari 2026.

De zaak kwam pas laat in het nieuws omdat er bij zedenzaken in Nederland doorgaans geen persalarmen worden afgegeven en politie en Openbaar Ministerie terughoudend zijn met informatie, zeker als het belang van het slachtoffer meespeelt. Omdat de verdachte snel was aangehouden, zagen politie en OM geen noodzaak voor een persbericht; de zaak stond wel op de gebruikelijke persrol van de rechtbank, waarna media bij de zitting alsnog aandacht besteedden.

Het OM verwijt H. poging tot moord omdat het slachtoffer verklaarde dat hij haar meerdere keren bedreigde met de dood en haar gedurende enkele minuten in een krachtige nekklem hield en sloeg. Volgens de officier van justitie had H. op het moment van vastpakken al het besluit genomen haar te doden en was er een reële kans op het intreden van de fatale afloop; er zouden meerdere momenten zijn geweest waarop hij had kunnen afzien.

Als straf eist het OM vijf jaar gevangenisstraf plus tbs met dwangverpleging. Hoewel poging tot moord maximaal twintig jaar gevangenisstraf kan opleveren, beargumenteert het OM de relatief lage celstraf doordat de maatregel tbs met dwangverpleging vanwege de ernst van de feiten langdurig kan zijn. Bij H. constateert het OM een persoonlijkheidsstoornis met impulsiviteit en weinig berouw, een instabiel bestaan zonder vaste woon- of dagbesteding en onduidelijke financiële omstandigheden. Het voorarrest van bijna twee jaar zou op een eventuele straf in mindering worden gebracht.

Tijdens de zitting zweeg H. vrijwel; hij gaf alleen zijn geboortedatum door en vroeg later om privacy, waarna de rechtbank bepaalde dat de zitting openbaar bleef en zijn stem mocht worden uitgezonden. In eerdere verhoren zei hij zich weinig te herinneren, ontkende seksuele intentie en verklaarde onder invloed van alcohol en drugs te zijn geweest. Deskundigen van het Pieter Baan Centrum vonden hem niet meewerkend; de reclassering zag weinig mogelijkheden voor toekomstige begeleiding.

De uitspraak van de rechtbank volgt vanmiddag.